Stralingsbalans is de balans tussen de zonnestralen die onze atmosfeer binnenkomen en de
stralen die onze atmosfeer weer verlaten. De inkomende zonnestraling is kortgolvig en de
uitgaande straling is langgolvig. Bij kortgolvige straling wordt de energie heel compact
vervoerd, langgolvige straling wordt dus niet compact vervoerd. De kortgolvige straling
verwarmt ons aardoppervlak erg goed. Sommige oppervlakken kaatsen straling meteen
terug. Dit noem je het albedo-effect, hieronder vallen onder andere wolken, sneeuw en ijs.
Waterdamp, koolstofdioxide en methaan zijn broeikasgassen die langgolvige straling
opnemen. Hierdoor wordt de aarde verwarmd, zonder deze gassen zou de aarde niet
leefbaar zijn. Doordat de mens andere broeikasgassen uitstoot, wordt het percentage
broeikasgassen in de atmosfeer verhoogd. Dit veroorzaakt het versterkte broeikaseffect, de
aarde wordt dus warmer. De langgolvige straling zorgt voor de verdamping van water, dus
voor waterstof. Deze waterstof werkt weer mee met het broeikaseffect en de wolken met
het albedo-effect. De energie die het kost om water te verdampen wordt latente energie
genoemd. Dit zorgt ervoor dat vochtige gebieden vaak kouder zijn dan droge gebieden.
In de tropen staat de zon hoog aan de hemel en vallen de stralen loodrecht op het
aardoppervlak, hierdoor hoeven zonnestralen maar een klein oppervlak te verwarmen. Bij
ons vallen de zonnestralen schuin op het aardoppervlak, waardoor het een stuk kouder is.
3.2 Wereldwijde luchtstromen
We spreken van een lagedrukgebied wanneer de lucht niet zo zwaar is en de lucht niet hard
op het aardoppervlak drukt. De warmte bij de evenaar is de oorzaak voor de lichtere
luchtdeeltjes, deze zetten namelijk uit en zijn minder zwaar. Bij een hogedrukgebied gebeurt
het tegenovergestelde: de lucht stijgt op bij de evenaar en daalt bij de polen, de lucht is hier
erg zwaar en drukt hard tegen het aardoppervlak. Het hogedrukgebied is dus precies het
tegenovergestelde van het lagedrukgebied.
, Er zijn veel verschillende
luchtstromen. Deze kun je allemaal
zien in het figuur hiernaast.
Lagedrukgebieden bestaan meestal
uit regen en wind, hogedrukgebieden
uit rustig weer zonder regen. Alle
luchtstromen bij elkaar noem je de
atmosferische circulatie. Dit figuur
moet je goed uit je hoofd leren, dit
kan letterlijk zo op de toets gevraagd
worden.
Lucht stroomt aan het aardoppervlak
van hoge naar lage druk, maar krijgt
daarbij een afwijking doordat de
aarde draait. Als je met de wind in de
rug kijkt, is deze afwijking op het
zuidelijk halfrond naar links en op het
noordelijk halfrond naar rechts. Dit is
de Wet van Buys Ballot ofwel het
corioliseffect.
Winden die rondom de evenaar
voorkomen noem je passaten of
passaatwinden. In onze zomer schijnt
de zon vooral op het noordelijk
halfrond, in onze winter schijnt de zon vooral op het zuidelijk halfrond. De warmste plek op
het aardoppervlak, dus ook het lagedrukgebied rondom de evenaar, noem je de ITCZ, de
intertropische convergentiezone. Winden die rondom de evenaar ineens de andere kant
opgaan, noem je moessons. Deze winden draaien door de afwijkingen op het noordelijk en
zuidelijk halfrond.