Hoofdstuk 1:
- Developmental norms: de typische groei van ontwikkeling.
- Culture: het idee dat een groep op een speciale manier is georganiseerd en leeft aan de
hand van bepaalde geloven, waarden en gedragingen.
- Ethnicity: gedeelde waarde, taal en gedragingen van mensen die gekoppeld zijn aan
bepaalde nationaliteit of leefomgeving.
- Race: een scheiding gebaseerd op fysieke verschillen.
- Gender norms: verwachtingen gebaseerd op geslacht.
- Situational norms: wat er wordt verwacht in bepaalde omstandigheden of sociale
situaties
- Demonology: de overtuiging dat gedrag resulteert uit het bezeten zijn van mensen of
het worden beïnvloed door de duivel.
- Somatogenesis: de overtuiging dat mentale stoornissen kunnen worden gekoppeld aan
lichamelijke problemen of imbalance.
- Syndromes: het groeperen van bepaalde kenmerken.
- Psychogenesis: het geloof dat mentale problemen worden veroorzaakt door
psychologische variabelen.
- Social learning / cogitive-behavioral perspectives: aanpak die de combinatie van leren
en sociale context en/of cognitie benadrukken.
- Mental hygiene movement: wilde het begrip en de behandeling verbeteren en het
voorkomen van stoornissen stoppen.
- Therapeutic alliance: het vormen van een vertrouwde persoonlijke band en
samenwerking in een behandeling.
- Informed consent: de cliënt begrijpt de behandeling volledig.
- Proximaal: dichtbij staan de cliënten.
- Distaal: verder weg van de cliënt.
Hoofdstuk 2:
- Paradigm: wanneer onderzoekers een perspectief delen.
- Theory: een formele geïntegreerde verzameling van principes over vooroordelen die
een fenomeen verklaren.
- Interactional models: de aanname dat de invloeden niet onafhankelijk van elkaar
bewegen.
- Vulnerability-stress model: conceptualiseert de oorzaken van psychopathologie door
het samenwerken van een kwetsbaarheidsfactor en een stress factor.
- Transactional models: beschrijft deze wederzijdse relatie tussen invloeden.
- Developmental psychopathology perspective: het begrip en de studie van de normale
ontwikkeling van het kinder psychopathologie.
- Medical model: overweegt stoornissen om discrete dingen te zijn die resulteren van
specifieke gelimiteerde biologische oorzaken binnenin het individu die de context
negeren.
- Direct effect: variabele x leidt direct tot het resultaat.
- Indirect effect: wanneer variabele x een of meer andere variabele beïnvloedt die
leiden tot de uitkomst.
, - Mediator: een factor of variabele die tot een uitkomst leidt door indirecte bedoelingen.
- Moderator: een variabele die de richting of sterkte van de relatie tussen de
onafhankelijke en afhankelijke variabele beïnvloedt
- Necessary cause: moet aanwezig zijn om de stoornis tot uiting te laten komen.
- Sufficient cause: kan op zichzelf verantwoordelijk zijn voor een stoornis.
- Contributing causes: zijn niet noodzakelijk aanwezig om een stoornis te veroorzaken.
- Equifinality: verschillende factoren kunnen worden geassocieerd met dezelfde
uitkomst. (eqi dus éém ding op het eind)
- Multifinality: een ervaring kan verschillend uitpakken afhankelijk van een host of
andere invloed die kunnen leiden tot verschillende resultaten. (multi dus meerdere
dingen aan het eind)
- Resilience: een relatief positieve uitkomst ondanks extreme nare ervaringen.
- Promotive/protective factors: een range van invloeden die bijdragen aan de variaties
tussen resultaten bij kinderen die zijn blootgesteld aan nare gebeurtenissen.
- Heterotypic continuity: de uiting van een probleem kan veranderen gedurende de
ontwikkeling.
- Homotypic continuity: hoe een probleem wordt geuit blijft redelijk stabiel over tijd.
- Attachment: sociaal-emotionele band.
- Secure attachment: kinderen die alleen worden gelaten door hun ouder in een nieuwe
omgeving, zoeken hun verzorger weer op zodra deze terugkomt.
- Insecure attachment: zien hun verzorger niet als een veilige haven om op te zoeken bij
paniek.
- Disorganized attachment: het gebrek aan een consistente aanpak om om te gaan met
stressvolle situaties.
- Temperament: de vroege basis uitingen die een ingewikkelde samenhang zijn tussen
biologische en omgevingsfactoren over tijd.
- Goodness-of-fit: hoe de gedragingen waar kinderen naar neigen passen bij de
ouderlijke karakteristieken en omstandigheden.
- Differential susceptibility hypothesis: bepaalde kinderen met bepaalde
karakteristieken zouden niet alleen meer moeten reageren dan andere kinderen tegen
tegenslagen, maar ook op avontuurlijke omgevingen.
- Emotion understanding: een aantal talenten die gaan over de kennis over de emoties
van jezelf en anderen.
- Emotion regulation: gedragingen of strategieën die emotionele ervaringen en
uitdrukkingen regelen, afzwakken of versterken.
- Emotion dysregulation: disfunctionele patronen van emotie regulatie, niet de
afwezigheid ervan.
- Social cognitive processing: denken over de sociale wereld. Hoe individuen omgaan
met sociale situaties.
Hoofdstuk 3
- Neurons: gespecialiseerde cellen om impulsen chemisch door te sturen binnen het
zenuwstelsel van en naar andere lichaamsdelen.
- Developmental norms: de typische groei van ontwikkeling.
- Culture: het idee dat een groep op een speciale manier is georganiseerd en leeft aan de
hand van bepaalde geloven, waarden en gedragingen.
- Ethnicity: gedeelde waarde, taal en gedragingen van mensen die gekoppeld zijn aan
bepaalde nationaliteit of leefomgeving.
- Race: een scheiding gebaseerd op fysieke verschillen.
- Gender norms: verwachtingen gebaseerd op geslacht.
- Situational norms: wat er wordt verwacht in bepaalde omstandigheden of sociale
situaties
- Demonology: de overtuiging dat gedrag resulteert uit het bezeten zijn van mensen of
het worden beïnvloed door de duivel.
- Somatogenesis: de overtuiging dat mentale stoornissen kunnen worden gekoppeld aan
lichamelijke problemen of imbalance.
- Syndromes: het groeperen van bepaalde kenmerken.
- Psychogenesis: het geloof dat mentale problemen worden veroorzaakt door
psychologische variabelen.
- Social learning / cogitive-behavioral perspectives: aanpak die de combinatie van leren
en sociale context en/of cognitie benadrukken.
- Mental hygiene movement: wilde het begrip en de behandeling verbeteren en het
voorkomen van stoornissen stoppen.
- Therapeutic alliance: het vormen van een vertrouwde persoonlijke band en
samenwerking in een behandeling.
- Informed consent: de cliënt begrijpt de behandeling volledig.
- Proximaal: dichtbij staan de cliënten.
- Distaal: verder weg van de cliënt.
Hoofdstuk 2:
- Paradigm: wanneer onderzoekers een perspectief delen.
- Theory: een formele geïntegreerde verzameling van principes over vooroordelen die
een fenomeen verklaren.
- Interactional models: de aanname dat de invloeden niet onafhankelijk van elkaar
bewegen.
- Vulnerability-stress model: conceptualiseert de oorzaken van psychopathologie door
het samenwerken van een kwetsbaarheidsfactor en een stress factor.
- Transactional models: beschrijft deze wederzijdse relatie tussen invloeden.
- Developmental psychopathology perspective: het begrip en de studie van de normale
ontwikkeling van het kinder psychopathologie.
- Medical model: overweegt stoornissen om discrete dingen te zijn die resulteren van
specifieke gelimiteerde biologische oorzaken binnenin het individu die de context
negeren.
- Direct effect: variabele x leidt direct tot het resultaat.
- Indirect effect: wanneer variabele x een of meer andere variabele beïnvloedt die
leiden tot de uitkomst.
, - Mediator: een factor of variabele die tot een uitkomst leidt door indirecte bedoelingen.
- Moderator: een variabele die de richting of sterkte van de relatie tussen de
onafhankelijke en afhankelijke variabele beïnvloedt
- Necessary cause: moet aanwezig zijn om de stoornis tot uiting te laten komen.
- Sufficient cause: kan op zichzelf verantwoordelijk zijn voor een stoornis.
- Contributing causes: zijn niet noodzakelijk aanwezig om een stoornis te veroorzaken.
- Equifinality: verschillende factoren kunnen worden geassocieerd met dezelfde
uitkomst. (eqi dus éém ding op het eind)
- Multifinality: een ervaring kan verschillend uitpakken afhankelijk van een host of
andere invloed die kunnen leiden tot verschillende resultaten. (multi dus meerdere
dingen aan het eind)
- Resilience: een relatief positieve uitkomst ondanks extreme nare ervaringen.
- Promotive/protective factors: een range van invloeden die bijdragen aan de variaties
tussen resultaten bij kinderen die zijn blootgesteld aan nare gebeurtenissen.
- Heterotypic continuity: de uiting van een probleem kan veranderen gedurende de
ontwikkeling.
- Homotypic continuity: hoe een probleem wordt geuit blijft redelijk stabiel over tijd.
- Attachment: sociaal-emotionele band.
- Secure attachment: kinderen die alleen worden gelaten door hun ouder in een nieuwe
omgeving, zoeken hun verzorger weer op zodra deze terugkomt.
- Insecure attachment: zien hun verzorger niet als een veilige haven om op te zoeken bij
paniek.
- Disorganized attachment: het gebrek aan een consistente aanpak om om te gaan met
stressvolle situaties.
- Temperament: de vroege basis uitingen die een ingewikkelde samenhang zijn tussen
biologische en omgevingsfactoren over tijd.
- Goodness-of-fit: hoe de gedragingen waar kinderen naar neigen passen bij de
ouderlijke karakteristieken en omstandigheden.
- Differential susceptibility hypothesis: bepaalde kinderen met bepaalde
karakteristieken zouden niet alleen meer moeten reageren dan andere kinderen tegen
tegenslagen, maar ook op avontuurlijke omgevingen.
- Emotion understanding: een aantal talenten die gaan over de kennis over de emoties
van jezelf en anderen.
- Emotion regulation: gedragingen of strategieën die emotionele ervaringen en
uitdrukkingen regelen, afzwakken of versterken.
- Emotion dysregulation: disfunctionele patronen van emotie regulatie, niet de
afwezigheid ervan.
- Social cognitive processing: denken over de sociale wereld. Hoe individuen omgaan
met sociale situaties.
Hoofdstuk 3
- Neurons: gespecialiseerde cellen om impulsen chemisch door te sturen binnen het
zenuwstelsel van en naar andere lichaamsdelen.