Hoorcollege 9 Ne bis in idem/ Samenloop
Ne bis in idem en samenloop
Achtergrond van de problemateek
1. ‘Vertaling’ naar formeel recht: ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (art. 348 Sv)
2. ‘Vertaling’ naar formeel recht: kwalifcaae en strafoemeang (art. 350 Sv)
Twee leerstukken Ne bis in idem en samenloop die worden allebei door Te Hullu in zijn handboek
behandeld in H8 over waarborgen tegen meervoudige aansprakelijkstelling voor hetzelfde feit. Een
lasage materie waarop veel mensen ook rechters en advocaten vb. maar moeilijk vat kunnen krijgen.
De achtergrond van de problemaaek zo schemaasch mogelijk in kaart te brengen. Dat zou je bv.
kunnen doen door erop te wijzen er een grote vanuit de omstandigheid dat er een grote/ nauwe
samenhang tussen het materiele en formele strafrecht.
Bepaalde onderwerpen die zijn geregeld in het WvSr die komen mede tot wasdom in het WvSv.
3. Een voorbeeld daarvan is de rechtsmacht, HC 1. Art. 2 – 8 Sr, het gaat om bepalingen in het WvSr
die gaan over de vraag wanneer NL jurisdicae heef over strafare feiten.
4. Een ander voorbeeld: de dood van de verdachte. Ook voor de situaae dat de verdachte is komen
te overlijden, voordat er in zijn strafzaak een onherroepelijke uitspraak is gekomen, heef het
WvSr een voorziening, dat 69 Sr. Art. 96 Sr bepaald dat het recht tot strafvordering komt te
vervallen door de dood van de verdachte.
Beide materieelrechtelijke onderwerpen zowel de rechtsmacht als de dood van de verdachte die
kennen een zeer nauwe samenhang met ons strafprocesrecht. Want die beide materieelrechtelijke
onderwerpen die lossen formeelrechtelijk op in het 3de vraagpunt van art. 328 Sr, namelijk het
vraagpunt betrefende de ontvankelijkheid van het OM. Er zijn daarnaast ook hele andere
materieelstrafrechtelijke onderwerpen dan de rechtsmacht en de dood die zich formeelrechtelijk
vertalen in de andere vraagpunten van het beslissingsschema van art. 348/350. Namelijk het 2 de en
de 4de vraagpunt van art. 350 Sv: de kwalifcaaevraag en de strafoemeangsvraag.
Ne bis in idem (art. 68 Sr)
o Ontvankelijkheid OM (art. 348 Sv)
Vandaag spreek ik met u naar achtergrond tamelijk verschillende leerstukken Ne bis in idem en
Samenloop. Ne bis in idemk je mag niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd. Dat is
materieelrechtelijk neergelegd in art. 68 Sr. Het is belang dat u goed voor ogen houdt dat de
materieelstrafrechtelijk problemaaek van ne bis in idem formeelrechtelijk oplost in de vraag naar de
ontvankelijkheid van het OM (art. 348 Sv).
Samenloop (Titel VI Boee 1; art. 55 e.v. Sr)
o Kwalifcaae en strafoemeang (art. 350 Sv)
Het leerstuk van de samenloop is geregeld in atel VV van boek 1 Sr art. 55 e.v. Formeelrechtelijk komt
de samenloop aan de orde bij het 2de en het 4de vraagpunt van art. 350 Sv bij de kwalifcaaevraag en
bij de strafoemeangsvraag. Dus niet bij de ontvankelijkheidsvraag van art. 348 Sv.
Ook al heb ik inhoudelijk nauwelijks nog iets gezegd over wat het ne bis in idem en wat met
samenloop wordt bedoeld, het dus wel gaat om twee leerstukken met een zeer verschillende
uitwerking. Houdt u dat verschil straks goed in gaten.
, Ne bis in idem (art. 68 Sr)
o Nieuwe vervolging wegens ‘hetzelfde feit’ leidt tot niet ontvankelijkheid OM.
o Art. 68 Sr belemmert nieuwe vervolging als over het feit is geoordeeld in de zin van art.
350 Sv.
o Wijziging ex art. 313 Sv van de tenlastelegging is ook gebonden aan ‘hetzelfde feit’ ex
art. 68 Sr.
Art. 68 lid 1 Sr: ‘Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn,
kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde
van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatus en Saba onherroepelijk is beslist.’
Het beginsel is vervat in 68 Sr, behoudens gevallen voor herziening vatbaar, kan niemand andermaal
worden vervolgd wegens een feit waarover een rechter al bij gewijsde dus onherroepelijk heef
beslist. Als er onherroepelijk door de strafrechter is beslist over een feit, dan kun je niet ter zake van
hetzelfde feit wederom in rechte worden betrokken. Daar moet je op kunnen vertrouwen. Je moet
erop kunnen vertrouwen dat er ooit een defniaeve streep onder een strafzaak wordt gezet en dat je
dus niet tot het in oneindige wordt nagezeten door de zweepslag van Jusaae (strepitus fori).
Betrekt het OM jou wel opnieuw in rechte, gaat het OM dus over tot een nieuwe vervolging wegens
hetzelfde feit, dan volgt de niet ontvankelijk verklaring van het OM in die nieuwe vervolging. Want
volgens art. 68 Sr mag niemand andermaal worden vervolgd ter zake van hetzelfde feit. Dat betekent
dus dat art. 68 Sr een waarborg biedt tegen vervolging en dat art. 68 Sr betrekking heef op
einduitspraken over het feit.
Aan welke einduitspraken moeten wij dan denken? Wanneer mag jij niet andermaal worden vervolgd
wegens een feit waarover al een onherroepelijk uitspraak is gekomen? Vn welke gevallen dient zich
dat aan? Vn gevallen van vrijspraak, in geval van ontslag van alle rechtsvervolging of in geval van een
veroordeling. Bovendien moet het ook gaan om een onherroepelijk oordeel van de strafrechter over
dat feit. U weet dat bijv. het instellen van hoger beroep tegen het oordeel van de rechter in eerste
aanleg deel uitmaakt van een en hetzelfde vervolgingstraject. Hoger beroep is dus niet een tweede
vervolging in zin van art. 68 Sr. Sterker dan dat kenmerken voor het hoger beroep en later het
cassaaeberoep is nu juist dat de uitspraak waartegen je zo een rechtsmiddel aanwendt nog niet
onherroepelijk is. Omdat het bovendien moet gaan om een oordeel over het feit en dus om een
beslissing in de zin van art. 350 Sv is art. 68 Sv daarom in beginsel niet van toepassing op beslissing
die worden gegeven naar aanleiding van de vraagpunten van 348 Sv. Als vb. de rechtbank de
inleidende dagvaarding nieag verklaart, omdat die dagvaarding onjuist zou zijn betekend aan de
verdacht. Dan kan het OM berusten in die uitspraak dat de dagvaarding nieag is, waardoor dus die
uitspraak onherroepelijk wordt en dan kan het OM vervolgens nieuw dagvaarden in dezelfde zaak en
dus een nieuwe vervolging starten voor hetzelfde feit omdat de rechter nog geen inhoudelijk oordeel
heef gegeven in de zin van art. 350 Sv. Dat is dus het uitgangspunt! Na een onherroepelije oordeel
over de vragen van 350 Sv belemmert 68 Sr een nieuwe vervolging, maar na een onherroepelije
oordeel over de vragen van 348 Sv belemmert art. 68 Sr NIET een nieuwe vervolging. Hierop zijn
nuances denebaar!
5. Stel dat een eerste vervolging is geëindigd in een niet ontvankelijkheid verklaring, omdat de
verdachte inmiddels is komen te overlijden, dan zal een nieuwe vervolging van dezelfde
verdachte, wegens hetzelfde feit echt niet opeens leiden tot een wel ontvankelijk OM.
Ne bis in idem beginsel art. 68 Sr te koppelen aan het derde vraagpunt van art. 348 Sv. Daarnaast
komen we de verwerkelijking van het ne bis idem beginsel ook in het formele recht elders tegen,
namelijk niet alleen via de ontvankelijkheid van het OM, maar ook in art. 313 lid 2 Sv. Als u kijkt naar
, art. 313 lid 2 Sv dan ziet u daar ook een verwijzing naar art. 68 Sv. Het OM heef het bevoegdheid om
ter terechtzitng de wijziging van de t.l.l. te vorderen op basis van art. 313 Sv. De rechter mag zo’n
vordering tot wijziging van de t.l.l. niet toewijzen als daardoor de t.l.l. niet meer hetzelfde feit in de
zin van art. 68 Sr zou inhouden.
De gedachte daarachter is natuurlijk dat jij je als verdachte fatsoenlijk moet kunnen verweren, tegen
een ingebrachte beschuldiging. Je hebt voorafgaande aan de terechtzitng de t.l.l. nauwkeurig
bestudeerd, daarop heb je je verdediging ingericht. Als de OvJ jou staande de zitng nou ineens gaat
lasag vallen met een geheel nieuw ander feit, dan overschrijdt de OvJ daarmee de grenzen van het
strafgeding. Wijziging van de TLL met als doel om een nieuw ander feit op de t.l.l te erijgen is dus
niet mogelije. De OvJ kan wel een afzonderlijke vervolging voor dat feit instellen.
Omgeeeerde redenering vordering tot wijziging TLL: het omgekeerde dat geldt ook. Als de OvJ de
wijziging van de t.l.l. heef gevorderd en de rechtbank heef die vordering toegestaan, omdat het
gaat om hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr, dan kan de OvJ niet later alsnog voor datzelfde feit nog
eens een aparte vervolging instellen. Dat zou dan strijd opleveren met 68 Sr opleveren en in dat geval
zou het OM niet ontvankelijk worden verklaard in die nieuwe vervolging. U ziet dus dat 68 Sr, de
ontvankelijkheidsvraag van 348 Sv en de mogelijkheid tot wijziging van de t.l.l. in de zin van art. 313
een grote samenhang vertonen. U ziet ook dat eigenlijk alles hier afangt van de vraag wanneer je
kunt spreken van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Daarop heef de rechtspraak op art. 68 Sr zich
ook toegespitst.
Samenloopk
o Samenhang tussen samenloop en art. 350 Sv:
o Kwalifcaaevraag: bijv. art. 192 en art. 444 Sr
o Strafoemeangsvraag: art. 57 lid 2 Sr wetelijke maximale strafen optellen, maar bij
vrijheidsstrafen niet tot meer dan een derde deel boven hoogste maximum
(Wetsvoorstel 34 126: de helf boven hoogste maximum)
Vk ga even kort met u naar art. 350 Sv. Binnen het kader van 350 Sv speelt de samenhang een rol. Wel
bij de kwalifcaaevraag en bij de strafoemeangsvraag.
6. Vb. waar de kwalifcaaevraag in beeld komt. Kijkt u eens goed om zich heen, dan ziet u veel
blauwe lege stoelen. Dat heef niet zoveel met het weer te maken. Dat heef ermee te maken dat
heel veel van uw collega’s voor vandaag zijn opgeroepen om als getuige te verschijnen in de
rechtbank zebra. U bent ook opgeroepen om te getuigen, maar u wilde liever naar het college
komen. Daarmee heef u zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van art. 192 Sr opzetelijk niet
voldaan aan die verplichang die u als getuige heef te vervullen. Terwijl dit feit het nalaten ter
zitng te verschijnen ook valt te kwalifceren als overtreding van art. 444 Sv. U blijf namelijk als
getuige opgeroepen wederrechtelijk weg. De vraag is dan hoe dient de recht dit feit kwalifceren?
Art. 55 lid 1 Sr geef u hier antwoord op die vraag.
Vk wil met u kijken naar voorbeeld van een situaae waarin de strafoemeangsvraag in beeld komt.
Er zijn landen waar je werkelijk vele honderden jaren gevangenisstraf opgelegd kunt krijgen. U bent
misschien niet alleemaal even goed vertrouwd met het Egypasche rechtssysteem, in dat geval wijs ik
u erop dat er ooit in Egypte een man was, die een vorm van beleggingsfraude heef gepleegd:
oplichang. Hij heef zo’n 500 mensen opgelicht, door hen voor te houden dat hij hun geld zou
investeren en ging er met hun geld ervandoor. Dat heef hem maar liefst 1000 jaar ajdelijke
gevangenisstraf opgeleverd.
Ne bis in idem en samenloop
Achtergrond van de problemateek
1. ‘Vertaling’ naar formeel recht: ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (art. 348 Sv)
2. ‘Vertaling’ naar formeel recht: kwalifcaae en strafoemeang (art. 350 Sv)
Twee leerstukken Ne bis in idem en samenloop die worden allebei door Te Hullu in zijn handboek
behandeld in H8 over waarborgen tegen meervoudige aansprakelijkstelling voor hetzelfde feit. Een
lasage materie waarop veel mensen ook rechters en advocaten vb. maar moeilijk vat kunnen krijgen.
De achtergrond van de problemaaek zo schemaasch mogelijk in kaart te brengen. Dat zou je bv.
kunnen doen door erop te wijzen er een grote vanuit de omstandigheid dat er een grote/ nauwe
samenhang tussen het materiele en formele strafrecht.
Bepaalde onderwerpen die zijn geregeld in het WvSr die komen mede tot wasdom in het WvSv.
3. Een voorbeeld daarvan is de rechtsmacht, HC 1. Art. 2 – 8 Sr, het gaat om bepalingen in het WvSr
die gaan over de vraag wanneer NL jurisdicae heef over strafare feiten.
4. Een ander voorbeeld: de dood van de verdachte. Ook voor de situaae dat de verdachte is komen
te overlijden, voordat er in zijn strafzaak een onherroepelijke uitspraak is gekomen, heef het
WvSr een voorziening, dat 69 Sr. Art. 96 Sr bepaald dat het recht tot strafvordering komt te
vervallen door de dood van de verdachte.
Beide materieelrechtelijke onderwerpen zowel de rechtsmacht als de dood van de verdachte die
kennen een zeer nauwe samenhang met ons strafprocesrecht. Want die beide materieelrechtelijke
onderwerpen die lossen formeelrechtelijk op in het 3de vraagpunt van art. 328 Sr, namelijk het
vraagpunt betrefende de ontvankelijkheid van het OM. Er zijn daarnaast ook hele andere
materieelstrafrechtelijke onderwerpen dan de rechtsmacht en de dood die zich formeelrechtelijk
vertalen in de andere vraagpunten van het beslissingsschema van art. 348/350. Namelijk het 2 de en
de 4de vraagpunt van art. 350 Sv: de kwalifcaaevraag en de strafoemeangsvraag.
Ne bis in idem (art. 68 Sr)
o Ontvankelijkheid OM (art. 348 Sv)
Vandaag spreek ik met u naar achtergrond tamelijk verschillende leerstukken Ne bis in idem en
Samenloop. Ne bis in idemk je mag niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd. Dat is
materieelrechtelijk neergelegd in art. 68 Sr. Het is belang dat u goed voor ogen houdt dat de
materieelstrafrechtelijk problemaaek van ne bis in idem formeelrechtelijk oplost in de vraag naar de
ontvankelijkheid van het OM (art. 348 Sv).
Samenloop (Titel VI Boee 1; art. 55 e.v. Sr)
o Kwalifcaae en strafoemeang (art. 350 Sv)
Het leerstuk van de samenloop is geregeld in atel VV van boek 1 Sr art. 55 e.v. Formeelrechtelijk komt
de samenloop aan de orde bij het 2de en het 4de vraagpunt van art. 350 Sv bij de kwalifcaaevraag en
bij de strafoemeangsvraag. Dus niet bij de ontvankelijkheidsvraag van art. 348 Sv.
Ook al heb ik inhoudelijk nauwelijks nog iets gezegd over wat het ne bis in idem en wat met
samenloop wordt bedoeld, het dus wel gaat om twee leerstukken met een zeer verschillende
uitwerking. Houdt u dat verschil straks goed in gaten.
, Ne bis in idem (art. 68 Sr)
o Nieuwe vervolging wegens ‘hetzelfde feit’ leidt tot niet ontvankelijkheid OM.
o Art. 68 Sr belemmert nieuwe vervolging als over het feit is geoordeeld in de zin van art.
350 Sv.
o Wijziging ex art. 313 Sv van de tenlastelegging is ook gebonden aan ‘hetzelfde feit’ ex
art. 68 Sr.
Art. 68 lid 1 Sr: ‘Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn,
kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde
van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatus en Saba onherroepelijk is beslist.’
Het beginsel is vervat in 68 Sr, behoudens gevallen voor herziening vatbaar, kan niemand andermaal
worden vervolgd wegens een feit waarover een rechter al bij gewijsde dus onherroepelijk heef
beslist. Als er onherroepelijk door de strafrechter is beslist over een feit, dan kun je niet ter zake van
hetzelfde feit wederom in rechte worden betrokken. Daar moet je op kunnen vertrouwen. Je moet
erop kunnen vertrouwen dat er ooit een defniaeve streep onder een strafzaak wordt gezet en dat je
dus niet tot het in oneindige wordt nagezeten door de zweepslag van Jusaae (strepitus fori).
Betrekt het OM jou wel opnieuw in rechte, gaat het OM dus over tot een nieuwe vervolging wegens
hetzelfde feit, dan volgt de niet ontvankelijk verklaring van het OM in die nieuwe vervolging. Want
volgens art. 68 Sr mag niemand andermaal worden vervolgd ter zake van hetzelfde feit. Dat betekent
dus dat art. 68 Sr een waarborg biedt tegen vervolging en dat art. 68 Sr betrekking heef op
einduitspraken over het feit.
Aan welke einduitspraken moeten wij dan denken? Wanneer mag jij niet andermaal worden vervolgd
wegens een feit waarover al een onherroepelijk uitspraak is gekomen? Vn welke gevallen dient zich
dat aan? Vn gevallen van vrijspraak, in geval van ontslag van alle rechtsvervolging of in geval van een
veroordeling. Bovendien moet het ook gaan om een onherroepelijk oordeel van de strafrechter over
dat feit. U weet dat bijv. het instellen van hoger beroep tegen het oordeel van de rechter in eerste
aanleg deel uitmaakt van een en hetzelfde vervolgingstraject. Hoger beroep is dus niet een tweede
vervolging in zin van art. 68 Sr. Sterker dan dat kenmerken voor het hoger beroep en later het
cassaaeberoep is nu juist dat de uitspraak waartegen je zo een rechtsmiddel aanwendt nog niet
onherroepelijk is. Omdat het bovendien moet gaan om een oordeel over het feit en dus om een
beslissing in de zin van art. 350 Sv is art. 68 Sv daarom in beginsel niet van toepassing op beslissing
die worden gegeven naar aanleiding van de vraagpunten van 348 Sv. Als vb. de rechtbank de
inleidende dagvaarding nieag verklaart, omdat die dagvaarding onjuist zou zijn betekend aan de
verdacht. Dan kan het OM berusten in die uitspraak dat de dagvaarding nieag is, waardoor dus die
uitspraak onherroepelijk wordt en dan kan het OM vervolgens nieuw dagvaarden in dezelfde zaak en
dus een nieuwe vervolging starten voor hetzelfde feit omdat de rechter nog geen inhoudelijk oordeel
heef gegeven in de zin van art. 350 Sv. Dat is dus het uitgangspunt! Na een onherroepelije oordeel
over de vragen van 350 Sv belemmert 68 Sr een nieuwe vervolging, maar na een onherroepelije
oordeel over de vragen van 348 Sv belemmert art. 68 Sr NIET een nieuwe vervolging. Hierop zijn
nuances denebaar!
5. Stel dat een eerste vervolging is geëindigd in een niet ontvankelijkheid verklaring, omdat de
verdachte inmiddels is komen te overlijden, dan zal een nieuwe vervolging van dezelfde
verdachte, wegens hetzelfde feit echt niet opeens leiden tot een wel ontvankelijk OM.
Ne bis in idem beginsel art. 68 Sr te koppelen aan het derde vraagpunt van art. 348 Sv. Daarnaast
komen we de verwerkelijking van het ne bis idem beginsel ook in het formele recht elders tegen,
namelijk niet alleen via de ontvankelijkheid van het OM, maar ook in art. 313 lid 2 Sv. Als u kijkt naar
, art. 313 lid 2 Sv dan ziet u daar ook een verwijzing naar art. 68 Sv. Het OM heef het bevoegdheid om
ter terechtzitng de wijziging van de t.l.l. te vorderen op basis van art. 313 Sv. De rechter mag zo’n
vordering tot wijziging van de t.l.l. niet toewijzen als daardoor de t.l.l. niet meer hetzelfde feit in de
zin van art. 68 Sr zou inhouden.
De gedachte daarachter is natuurlijk dat jij je als verdachte fatsoenlijk moet kunnen verweren, tegen
een ingebrachte beschuldiging. Je hebt voorafgaande aan de terechtzitng de t.l.l. nauwkeurig
bestudeerd, daarop heb je je verdediging ingericht. Als de OvJ jou staande de zitng nou ineens gaat
lasag vallen met een geheel nieuw ander feit, dan overschrijdt de OvJ daarmee de grenzen van het
strafgeding. Wijziging van de TLL met als doel om een nieuw ander feit op de t.l.l te erijgen is dus
niet mogelije. De OvJ kan wel een afzonderlijke vervolging voor dat feit instellen.
Omgeeeerde redenering vordering tot wijziging TLL: het omgekeerde dat geldt ook. Als de OvJ de
wijziging van de t.l.l. heef gevorderd en de rechtbank heef die vordering toegestaan, omdat het
gaat om hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr, dan kan de OvJ niet later alsnog voor datzelfde feit nog
eens een aparte vervolging instellen. Dat zou dan strijd opleveren met 68 Sr opleveren en in dat geval
zou het OM niet ontvankelijk worden verklaard in die nieuwe vervolging. U ziet dus dat 68 Sr, de
ontvankelijkheidsvraag van 348 Sv en de mogelijkheid tot wijziging van de t.l.l. in de zin van art. 313
een grote samenhang vertonen. U ziet ook dat eigenlijk alles hier afangt van de vraag wanneer je
kunt spreken van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Daarop heef de rechtspraak op art. 68 Sr zich
ook toegespitst.
Samenloopk
o Samenhang tussen samenloop en art. 350 Sv:
o Kwalifcaaevraag: bijv. art. 192 en art. 444 Sr
o Strafoemeangsvraag: art. 57 lid 2 Sr wetelijke maximale strafen optellen, maar bij
vrijheidsstrafen niet tot meer dan een derde deel boven hoogste maximum
(Wetsvoorstel 34 126: de helf boven hoogste maximum)
Vk ga even kort met u naar art. 350 Sv. Binnen het kader van 350 Sv speelt de samenhang een rol. Wel
bij de kwalifcaaevraag en bij de strafoemeangsvraag.
6. Vb. waar de kwalifcaaevraag in beeld komt. Kijkt u eens goed om zich heen, dan ziet u veel
blauwe lege stoelen. Dat heef niet zoveel met het weer te maken. Dat heef ermee te maken dat
heel veel van uw collega’s voor vandaag zijn opgeroepen om als getuige te verschijnen in de
rechtbank zebra. U bent ook opgeroepen om te getuigen, maar u wilde liever naar het college
komen. Daarmee heef u zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van art. 192 Sr opzetelijk niet
voldaan aan die verplichang die u als getuige heef te vervullen. Terwijl dit feit het nalaten ter
zitng te verschijnen ook valt te kwalifceren als overtreding van art. 444 Sv. U blijf namelijk als
getuige opgeroepen wederrechtelijk weg. De vraag is dan hoe dient de recht dit feit kwalifceren?
Art. 55 lid 1 Sr geef u hier antwoord op die vraag.
Vk wil met u kijken naar voorbeeld van een situaae waarin de strafoemeangsvraag in beeld komt.
Er zijn landen waar je werkelijk vele honderden jaren gevangenisstraf opgelegd kunt krijgen. U bent
misschien niet alleemaal even goed vertrouwd met het Egypasche rechtssysteem, in dat geval wijs ik
u erop dat er ooit in Egypte een man was, die een vorm van beleggingsfraude heef gepleegd:
oplichang. Hij heef zo’n 500 mensen opgelicht, door hen voor te houden dat hij hun geld zou
investeren en ging er met hun geld ervandoor. Dat heef hem maar liefst 1000 jaar ajdelijke
gevangenisstraf opgeleverd.