HOOFDSTUK 3
Thema’s maatschappijleer paragraaf 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5
PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
§3.1 Wat is democratie?
Soeverein > een staat die op een bepaald, duidelijk begrensd gebied het
hoogste gezag uitoefent en het geweldsmonopolie heeft.
Politiek > het maken van keuzes waaraan allen in een staat zijn
gebonden.
Algemeen belang > veel mensen krijgen er nu of later mee te maken.
Efficiënt bestuur > snel, daadkrachtig, doelmatig
Maximale participatie > wat willen burgers, belangen
Directe democratie > burgers stemmen over wetten en besluiten.
Indirecte democratie > burgers kiezen volksvertegenwoordigers en zij
stemmen op wetten en besluiten.
Representatieve democratie > het volk kiest de
volksvertegenwoordigers die met een zekere regelmaat bij verkiezingen
aan de bevolking verantwoording moeten afleggen.
Voordelen:
- Er hoeft niet door de hele bevolking over elk onderwerp gestemd te
worden.
- Verschillende instituties controleren elkaar; trias politica >
wetgevende macht, uitvoerende macht, rechterlijke macht.
Wat zijn de kenmerken van democratie?
- Er is individuele vrijheid
- Er gelden politieke grondrechten
- Politie en leger hebben beperkte bevoegdheden
- De rechtspraak is onafhankelijk
- Er is persvrijheid
Wat zijn de kenmerken van een parlementair stelsel?
- Het gekozen parlement is het hoogste orgaan
- De uitvoerende macht wordt gekozen door het parlement en moet
verantwoording afleggen aan parlement
- Het staatshoofd is meestal niet gekozen en heeft beperkte macht
Wat zijn de kenmerken van een presidentieel stelsel?
- Het volk kiest parlement én president
- President heeft veel politieke macht