k f tentamenvragen
1 De onderneming en algemene H1 2
economie H2 2
Markten H3 3
De Vraag
2 Het aanbod H4 3
Concurrentie-intensiteit en H5 4
concurrentieeositie
3 Structuur van de markt H6 3
Meso-economie en H7 3
onderneming
4 Productiefactoren H9 1
Structuur van de economie H10 2
Bestedingen H11 2
Inkomensverdeling H12 2
5 Overheid H13 3
Conjunctuur H14 4
6 Produceren H8 3
Economische relaties H15 3
Totaal 40
,Algemene economie Samenvatng voor Herkansing 2018
Hoofdstuk 1 & 2
Micro = Het bedrijf zelf
Meso = Het bedrijf zijn klanten/leveranciers (alles van buiten) klein beetje invloed oe elkaar.
Macro = Het Land met demografsche / economische beslissingen waar het bedrijf GEEN invloed oe
heeft, maar zij hebben heel veel invloed oe hun.
Monetaire economie = Houdt zich bezig met het verschijnsel geld en de rol van de banken in de
economie.
Markt = Plaats waar vraag en aanbod van een product elkaar ontmoeten
Probleem: afakening (eroductt, geografsch)
Verlooe vraag en aanbod
Prijsvorming
Voorbeeld: markt voor cola
Bedrijfstak =Ondernemingen die dezelfde soort producten met gelijksoortge producteprocessen
maken, Dit is Horizontaal.
Groeeen van markten
Gelijksoortige behoefen
Bedrijfstakgenoten zijn concurrenten
Strijd om het marktaandeel
Voorbeeld: bier- of frisdrankenindustrie
Sector = Groep verwante bedrijfstakken (aandeel BBP in 2010)
Primair: landbouw en visserij (2%)
Secundair: delfstofenwinning, industrie en bouw (24%)
Tertair: commercille dienstverlening (48%)
Quartair: niet-commercille dienstverlening (26%) – Onderwijs etc overheid
, Bedrijfskolom: De bedrijfstakken die een product doorloopt van oerproducent tot consument. Dit
is Vertcaal, het proces loopt van boven naar beneden.
De bedrijfsomgeving zijn alle ontwikkelingen in de omgeving van een onderneming die invloed
hebben oe de resultaten van het bedrijf.
Welvaart = Het beschikken over goederen en diensten die onze behoefen bevredigen.
Economisch handelen = Het streven naar maximale welvaart met schaarse middelen.
Je hebt directe en indirecte omgevingsfactoren: Direct bestaat uit markteartijen van de onderneming
oe haar inkooe en verkooemarkten. Indirect bestaat uit werknemers en werkgeversorganisatiest,
overheid en culturele omgevingsfactoren zoals eublieke oeinie.
Economische Orde = Het geheel van collectieve waardent, normen en instituties die het economisch
handelen beealen.
1. Wereld markt: De prijs van een product is voor de hele wereld gelijk (Koffie/Goud)
2. Nationale markt: De prijzen en hoeveelheden komen in een heel land tot stand.
(Verzekeringen)
3. Lokale markt: De betrekkingen tussen vragers en aanbieders spelen zich af in een
kleiner gebied. (lokale producten)
Relevante mark : Het deel van de markt dat de onderneming bediend.
Hoofdstuk 3
Het consumetieeatroon = De samenstelling van het consumetieeakket ter bevrediging van de
behoefen. – eerst basis behoefen dan de rest. Deze behoefen hangen af van
- Demografsche factoren (geslachtt, leefijdt, oeleidingc gezinssamenstelling)
- Economische factoren (inkomen)
- Sociologische factoren (gevoeligheid voor mode/trends)
- Psychologische factoren (wens om zich te onderscheiden)
- -Seizoen en klimaat
- Overheid (ge- en verboden)
De Vraag Curve:
1. Naarmate de prijs daalt, vragen consumenten meer en als de prijs stijgt dan kopen ze
minder.
2. Als de vraagcurve daalt, dan komt dat door het substitutie- en inkomenseffect van de
prijsverandering. ( een prijsverandering van het ene product heeft invloed op de vraag
naar het andere product) – denk aan acties, mensen zijn dan meer geneigd daarvan te
kopen dan van een ander product dat niet in prijs is verlaagd.
3. De prijsdaling verdringt andere producten : Substitutie-effect.
4. Inkomenseffect van de prijsverandering = als de prijzen dalen maar het inkomen gelijk
blijft kunnen mensen meer kopen. – de koopkracht is toegenomen.