Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Hoorcolleges blok 2.3 (RF203 Inkomstenbelasting) (2018/2019)

Beoordeling
5.0
(1)
Verkocht
3
Pagina's
69
Geüpload op
19-12-2018
Geschreven in
2018/2019

Een uitgebreide samenvatting van de gegeven hoorcolleges voor het vak RF203 Inkomstenbelasting voor blok 2.3. (week 1 t/m 4) voor studenten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Compleet met oefenvragen en antwoorden

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Hoorcolleges blok 2.3
Inkomstenbelasting




INHOUDSOPGAVE

blz.

HC 1: Vrijdag 23 november 2018 2
HC 2: Vrijdag 30 november 2018 15
HC 3: Vrijdag 7 december 2018 28
HC 4: Vrijdag 14 december 2018 40

Vragen voltijd 51
Antwoorden voltijd (volledige antwoordindicatie) 57
Vragen deeltijd (nog niet aan bod gekomen) 65
Antwoorden deeltijd (volledige antwoordindicatie) 67




1

, WEEK 1
Inkomstenbelasting:
In de IB belasten we bronnen van inkomen, voor het zijn van een ‘bron van inkomen’ zijn er een
aantal vereisten (cumulatief):
1. U moet met uw handelen deelnemen aan het economisch verkeer
2. U moet met die deelname ook een voordeel beogen vanuit uzelf (subjectief gezien)
3. Het voordeel moet objectief redelijkerwijs te verwachten zijn
Ook wel de bronnentheorie genoemd, een voordeel kan alleen tot ‘inkomen’ behoren indien het
voortkomt uit ‘bron van inkomen’.

Een belangrijk arrest daarbij is het Medische Proeven arrest. Iemand onderging medische
proeven en kreeg daar een bepaalde vergoeding voor. De vraag die hierbij belangrijk was: moest
deze persoon over deze vergoeding inkomstenbelasting betalen? De HR zei was dat alleen het
criterium voor deelname aan het economisch verkeer (1) van belang was. Je hoeft in wezen dus
ook niet te kijken naar de overige vereisten.

In het latere Nasi en Bami arrest is de HR hierop teruggekomen. Hij heeft gezegd dat je de
overige vereisten wel degelijk moet toetsen (2 en 3), met name als er kan worden getwijfeld over
het eerste punt (dus: of de inkomsten in de privésfeer zijn genoten of toch wel in het economisch
verkeer).
- Deelname economisch verkeer = dit zijn inkomens verwervende activiteiten in het
maatschappelijk ruilverkeer
- Privésfeer = uitgave besparende activiteiten binnen de familiesfeer (bijv. schoenmaker
die schoenen kinderen repareert)

De bronnentheorie geldt met name bij de bronnen: winst uit onderneming en resultaat uit overige
werkzaamheden. De overige bronnen van inkomen (art. 3.1 IB) zijn namelijk zo precies en
nauwkeurig beschreven, dus hierbij is de bronnentheorie wat minder van belang.

Oefenvraag 1.1:
Mary biedt tweedehandse kinderwagens, buggy’s en andere artikelen voor baby’s en kinderen
aan op Marktplaats. Mary wikkelt de transacties geheel zelf af, van het e-mail- of telefoonverkeer
tot en met het verzenden van de goederen.

Antwoord 1.1:
- Deelname economisch verkeer = ja
- Beoogt voordeel (subjectief) = ja
- Redelijkerwijs te verwachten = ja
Je voldoet dus aan de bronnentheorie. Welke bron van inkomen zou dit dan zijn?

Belastbaar inkomen uit werk en woning:
Art. 3.1 IB: belastbaar inkomen uit W/W is het inkomen uit W/W verminderd met de te verrekenen
verliezen uit W/W (lid 1).
Lid 2: inkomen uit W/W is:
- Belastbare winst uit onderneming
- Belastbaar loon
- Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
- Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
- Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
- Negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Min:
- Aftrek wegens geen of geringe EW-schuld
- Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
- Persoonsgebonden aftrek



2

,Vervolgantwoord 1.1:
Uit de jurisprudentie blijkt dat er sprake is van resultaat uit overige werkzaamheid.
Wat is het verschil dan tussen r.o.w. (resultaat uit overige werkzaamheden) en w.u.o. (winst uit
onderneming)? Als ondernemer heb je (ten opzichte van de resultaatwerkers) recht op
ondernemingsaftrek, dit is een groot voordeel.

Oefenvraag 1.2:
Marloes heeft een behoorlijke moestuin bij haar vrijstaande woning. De groenten en het fruit
kunnen zij en haar gezin niet allemaal opeten. Het overschot stalt Marloes uit aan de weg voor
haar huis. Voorbijgangers kunnen de groenten en het fruit voor een klein bedrag meenemen. Het
geld stoppen zij in het daarvoor bestemde doosje.

Antwoord 1.2:
Neemt Marloes deel aan het economisch verkeer met het verbouwen van die groenten? Nee, het
is geen inkomensverwerving maar gewoon inkomensbesteding. Zij koopt de zaadjes, plant dit in
de grond en het is voor eigen gebruik bedoelt. Uit de jurisprudentie blijkt dat als het gaat om
inkomensbesteding, je niet deelneemt aan het economisch verkeer. Het feit dat ze het overschot
(van het eigen gebruikt) verkoopt, betekent niet dat ze een voordeel beoogde.

Oefenvraag 1.3:
Chris is een gepensioneerd bedrijfsjurist. Na zijn pensionering is hij een juridisch adviesbureau
gestart. De gemiddelde omzet van Chris bedraagt ongeveer 5.000 EUR per jaar. Hiervoor werkt
Chris ongeveer 350 uur.

Antwoord 1.3:
- Neemt deel aan het economisch verkeer = ja
- Beoogt voordeel = ja
- Het voordeel is redelijkerwijs te verwachten = ja
Welke bron hoort hierbij? R.o.w. of w.u.o.? Het neigt meer naar r.o.w., gezien de beperkte
vergoeding en het beperkt aantal uren wat eraan is besteed.

Oefenvraag 1.4:
Jamal is erg goed in wiskunde. Binnen enkele seconden weet hij het antwoord op de meest
ingewikkeld rekenopgaven. Hij besluit zijn talent eens nuttig in te zetten. Op een doordeweekse
avond gaat hij naar Holland Casino. Het geluk is aan zijn zijde. Hij wint 50.000 EUR met
blackjack. Is er sprake van een bron van inkomen? Zo ja, welke bron? Is het anders als hij het
geld met pokeren had gewonnen i.p.v. met blackjack? Stel dat er sprake is van een bron van
inkomen, hoe wordt de winst die Jamal behaalt bepaald?

Antwoord 1.4:
Je zou kunnen stellen dat blackjack meer een gokspel is, dan en vaardighedenspel en het
voordeel niet te verwachten is. Bij poker is het meer gericht op vaardigheden, dit schuift dus meer
naar de belaste sfeer.

Indeling Wet IB 2001:
De structuur van de Wet IB 2001 ziet er als volgt uit qua hoofdstukken:
1. Algemene bepalingen
2. Raamwerk
3. Heffingsgrondslag bij werk en woning
4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
6. Persoonsgebonden aftrek
7. Belastingheffing bij buitenlandse belastingplichtigen
8. Heffingskorting
9. Wijze van heffing
10. Aanvullende regelingen
11. Slotbepalingen



3

,Persoonsgebonden aftrek
Dit zijn aftrekposten die aan een persoon gekoppeld zijn, omdat hij bepaalde uitgaven heeft (voor
bijv. scholing of zorgkosten). Je kan dan een aftrekpost claimen. De persoonsgebonden aftrek
die heeft een bepaalde volgorde, je neemt deze eerst in aftrek in box 1 (werk en woning),
vervolgens ga je naar box 3 (sparen en beleggen) en tot slot ga je naar box 2 (aanmerkelijk
belang). Dit is dus een wat afwijkende volgorde.

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen
Hoofdstuk 1 bevat definities die voor de gehele wet gelding hebben. Gedefinieerde begrippen zijn
cursief in de wet opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan het begrip partners.

De reikwijdte van de wet zijn natuurlijke personen, art. 1.1. IB. Daarnaast zie je ook de
partnerregeling terug (art. 5a AWR en art. 1.2 Wet IB).

In de art. 1.4 t/m 1.7 staan de meeste definities.

Uniform partnerbegrip:
Tot een aantal jaar geleden kenden een aantal belastingwetten allemaal een eigen definitie van
het begrip partner. Dit werd uiteindelijk een zooitje. Er is toen besloten het partnerbegrip te
uniformeren in de AWR (art. 5a AWR). De AWR geldt voor alle materiele belastingwetten.

Art. 5a AWR:
- Gehuwden
o Tenzij: verzoek tot echtscheiding/ scheiding van tafel en bed ingediend is én zij
niet langer staan ingeschreven op hetzelfde woonadres
- Ongehuwd meerderjarigen met een notarieel samenlevingsovereenkomst en wanneer zij
beiden staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de BRP
Geregistreerde partners zijn gelijkgesteld met gehuwden voor het uniforme partnerbegrip (art. 2
lid 6 AWR).

Is er voldaan of juist niet voldaan aan het uniforme partnerbegrip van de AWR, kijk dan ook in de
Wet IB. Er kan daar juist een uitzondering worden gemaakt of een uitbreiding voor het
partnerbegrip.

Je kan slechts één partner tegelijkertijd hebben (de oudste verbintenis is beslissend).
Je kan ook een deel van het kalenderjaar partner zijn, je bent dan ook voor het overige deel van
het jaar partner, mits je op hetzelfde woonadres staat ingeschreven bij de BRP.

Partnerbegrip Wet IB 2001:
Het uitgangspunt voor het partnerbegrip staat in de AWR, maar de Wet IB kan specifieke
uitbreidingen of beperkingen op dat partnerbegrip hebben.

Als partner in de Wet IB wordt aangemerkt:
Ongehuwd samenwonenden die op hetzelfde woonadres staan ingeschreven bij de BRP zónder
notarieel samenlevingsovereenkomst mits sprake is van een genoemde bijzondere
omstandigheid.

In art. 1.2 IB staan de bijzondere omstandigheden genoemd:
- Samen een kind gekregen
- Kind van de ander erkend
- Aangemeld als partner voor een pensioensregeling
- Samen een eigen woning (koop)
- Samen voor een minderjarig kind zorgen
- In het voorafgaande kalenderjaar reeds partner

Daarnaast heeft de Wet IB ook nog een aantal beperkingen, je bent geen partner als:
- Bloedverwant in de eerste graad



4

, o Tenzij: beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 17 jaar hebben
bereikt
- Een persoon die geen inwoner is van Nederland (en niet kiest voor behandeling als
binnenlandse belastingplichtige)
- Niet meer dan één partner tegelijkertijd
o Zoals ook al is genoemd in de algemene regel van art. 5a AWR
o Zijn er wel meerdere partners, dan is de partner degene die als eerst is genoemd
in art. 1.2 Wet IB (de volgorde is dus bepalend). Er kan er dus uiteindelijk maar
één zijn!

Waarom is het van belang om fiscaal partner te zijn?
Er zijn vele regelingen waarbij het fiscaal partnerschap van belang is. Hieronder staan een aantal
voorbeelden (let op: deze lijst is niet limitatief!):
- Toerekening bepaalde inkomsten (art. 2.17 IB)
- Toegang tot bepaalde faciliteiten in de winstsfeer (bijv. meewerkaftrek, art. 3.78 IB)
- TBS-regelingen (art. 3.91 en 3.92 IB)
- Eigen woning: art. 3.111 lid 4 (scheiding)
- Premie voor nabestaandenlijfrente (art. 3.1235 lid 1 onder b)
- Aanwezigheid aanmerkelijk belang (art. 4.6)
- Verdubbeling van het heffingsvrije vermogen (art. 5.5 jo 5.2)
- Heffingskorting minst verdienende partner (art. 8.9)

Oefenvraag 1.5:
Na het overlijden van zijn vader (twee jaar geleden) is Jaap (31 jaar) met zijn moeder, Marijke (59
jaar) op de boerderij blijven wonen.

Antwoord 1.5:
De beperking van art. 1.2 lid 4 IB is niet van toepassing, Jaap is ouder dan 27 jaar. In dit geval
kunnen Jaap en zijn moeder als partner worden aangemerkt.

Oefenvraag 1.6:
Eva (44 jaar) en Mirjam (46 jaar) wonen ongehuwd samen in een huurwoning. Zij zijn geen
geregistreerde partners en evenmin hebben zij een notarieel samenlevingscontract. Tot hun
huishouden behoort tevens Tim (19 jaar), zoon uit het vorige huwelijk van Eva. Kunnen Eva en
Mirjam als partner worden aangemerkt voor de Wet IB?

Antwoord 1.6:
Is art. 1.2 lid 1 onderdeel e IB van toepassing? Nee, het kind is meerderjarig.

Oefenvraag 1.7:
Chris (75 jaar) en Tiny (82 jaar) zijn gehuwd. Chris is dement en opgenomen in een
verpleegtehuis.

Antwoord 1.7:
Ze zijn gehuwd, dus ze zijn fiscaal partner. Je hebt hiervoor niet het vereiste nodig dat je samen
moet wonen.

Toerekeningsregels tussen partners
Als je partner bent kan je bepaalde inkomensbestanddelen tussen de partners vrijelijk toedelen.
Zie art. 2.17 IB. De voordelen zijn:
Keuze bij:
- Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen
- Rendementsgrondslag box 3
- Verrekening dividendbelasting
- Bij niet kiezen of onjuist verdelen: beide partners 50%
Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:
- Belastbare inkomsten eigen woning
- Belastbare inkomsten aanmerkelijk belang


5

, - Persoonsgebonden aftrek
Let wel op lid 7 (het toedelen is vrijelijk, ook als je niet gedurende het gehele jaar partner bent):
dit is een verschil met art. 5a lid 2 AWR en 1.2 lid 2 IB

Oefenvraag 1.8:
Mohammed is succesvol ondernemer. Mohammed is buiten gemeenschap van goederen met
Daisy gehuwd. De uitsluiting van de gemeenschap van goederen heeft destijds plaatsgevonden,
omdat Daisy zeer vermogend is en Mohammed niet wil dat zijn schuldeisers in economisch
slechte tijden het vermogen van Daisy kunnen aanspreken. Daisy beschikt over een grote
effectenportefeuille van 1 miljoen en over banktegoeden met een omvang van 500.000 EUR.
Mohammed en Daisy hebben samen een dochtertje van 6 jaar.
a) Mohammed en Daisy vragen zich af of het voor de toepassing van de Wet IB is
toegestaan het vermogen van Daisy over hen beiden te verdelen?
b) Ook hun dochter heeft een goed gevulde spaarrekening van inmiddels 7.500 EUR. Wie is
ter zake van deze spaartegoeden belastingplichtig voor de Wet IB?

Antwoord 1.8:
Een effectenportefeuille en banktegoeden zijn box 3 vermogen, dit is een inkomensbestanddeel
wat je vrijelijk over partners mag toerekenen.
Zie art. 2.15 IB, bepaalde inkomensbestanddelen van een minderjarig kind kan aan de ouder
worden toegerekend die het feitelijk gezag uitoefent. Bij twee ouders zijn het dan beide ouders.
De ouders kunnen voor dit inkomensbestanddeel ook weer 2.17 IB gebruiken om het toe te
bedelen. Het gaat dan om de inkomensbestanddelen van ROW, inkomsten uit EW, inkomsten uit
AB en inkomsten box 3.

Raamwerk Wet IB:
Iedere materiele belastingwet kan je in drie pijlers opsplitsen:
- Subject (art. 2.1):
o Binnenlandse belastingplichtigen (als je hier woont, dien je over het gehele
wereldinkomen belasting te betalen)
o Buitenlandse belastingplichtigen (mensen die hier niet wonen, maar wel inkomen
genereren)
- Object (art. 2.3):
o Belastbaar inkomen uit werk en woning
o Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
o Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
- Tarief:
o Box 1: schijventarief (art. 2.10 en 2.10a)
o Box 2: 25% (2.12)
o Box 3: 30% berekend over een forfaitair rendement (2.13)
De inkomstenbelasting is een tijdvak belasting (wordt berekend over een geheel jaar, niet slechts
één moment).

Art. 2.10a IB ziet op de vergrijzing en de bekostiging daarvan, wat ze daarmee probeerden te
bereiken was om de indexatie van mensen die na 1946 zijn geboren om die minder hard te laten
oplopen.

Belastingplichtigen Wet IB:
- Binnenlandse belastingplichtigen:
o Natuurlijke personen die in Nederland wonen (heffing op basis van
woonplaatsbeginsel)
o Wereldinkomen (art. 2.3 en 2.4 en hoofdstuk 3.4.5: géén territoriale begrenzing)
- Buitenlandse belastingplichtigen:
o Natuurlijke personen die in het buitenland wonen en Nederlands inkomen
genieten (heffing op basis van bron- of situsbeginsel)
o Nederlands inkomen (art. 2.3 en 2.4 en hoofdstuk 7: inkomen in Nederland)




6

,Hoofdstuk 7 is eigenlijk een soort van spiegelbeeld van de bronnen van inkomen die voor de
binnenlandse belastingplichtigen gelden.

Om dubbele belastingheffing te voorkomen, sluiten landen belastingverdragen met elkaar. Deze
verdragen verdelen heffingsrechten onderling, het schept dus geen heffingsrecht maar verdeelt
het in een situatie bij dubbele belastingheffing.

Keuzeregeling:
Dit heeft te maken met het Europees recht. Als je in het buitenland woont, ben je alleen belasting
verschuldigd over hetgeen wat je in Nederland genereert. Als je hier in Nederland woont, dan val
je onder het Nederland belastingrecht en heb je recht op allerlei aftrekposten en
heffingskortingen. Helaas was dit dus een nadeel voor bijvoorbeeld mensen die in Duitsland
woonden en in Nederland werkten. Zij werden dus niet gelijk behandeld, er is veel jurisprudentie
over geweest. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de kwalificering van de buitenlandse belastingplicht.
Iemand die buitenland belastingplichtig is en al zijn inkomen in Nederland verdiend, wordt
daarmee gelijk behandeld als een binnenlands belastingplichtige. Ze worden dus aangemerkt
alsof ze binnenlandse belastingplichtigen zijn (art. 7.8 IB)

Raamwerk woonplaats natuurlijke personen:
Zie art. 4 AWR, moet je beoordelen naar de omstandigheden. Dit is om te beoordelen om te
kijken waar iemand woont. Denk onder andere aan het centrum van zijn levensbelangen, het
middelpunt van zijn sociale leven, de duurzame band van persoonlijke aard.

Oefenvraag 1.9:
Henk is van plan om voorgoed om de wereld te zeilen. De huur, zijn abonnementen en zijn
rekeningen zijn opgezegd. Hij heeft zich daarna uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Door
problemen met de boot moet hij na 11 maanden terugkeren naar Nederland, hij gaat in
Rotterdam wonen. Henk heeft 6% van de aandelen van een naar Duits recht opgerichte
vennootschap. Tijdens zijn reis ontvangt hij dividend en pensioen waarmee hij de reis financiert.
Kan Nederland hem belasten?

Antwoord 1.9:
Als je minder dan 12 maanden bent weggeweest, dan kan je gewoon als binnenlands
belastingplichtige worden aangemerkt (zie art. 2.2 IB). Je wordt dan geacht nooit te zijn
vertrokken. Dus je laat hierbij de bepaling in art. 4 AWR met rust.

Conserverende aanslag:
Stel: je gaat ergens werken, er wordt met de werkgever een pensioenregeling afgesproken. Je
hebt dan een aanspraak op geld na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Dit behoort
onder loon, maar als over deze aanspraak wordt geheven dan is dit natuurlijk niet prettig. Je gaat
dan al belasting betalen over iets wat je pas in de toekomst zal ontvangen. Hiervoor is de
omkeerregeling in het leven geroepen. De aanspraak zelf behoort niet tot het loon, maar wel de
latere uitkering en de latere uitkering is dus belast.

Wat nu als je bij een dochteronderneming in Amerika gaat werken? Nederland zou dan haar
claim kwijtraken. Wat heeft Nederland hierop verzonnen? Op het moment dat je gaat emigreren,
wordt de waarde van die aanspraak tot het loon gerekend, zie art. 3.83 Wet LB. Hiervoor krijg je
een conserverende aanslag opgelegd (art. 2.8 en 2.9 IB), deze is dan opgelegd maar die hoef je
nog niet te betalen. Het zal uiteindelijk worden kwijtgescholden, maar dit zal gaan veranderen in
de toekomst. Dit zelfde geldt voor een lijfrenteverzekering.

Houdt wel in het hoofd dat Nederland wel met dat desbetreffende land een verdrag kan hebben.
In dit verdrag wordt bijv. bepaalt dat het belastingrecht over dat pensioen aan het andere land
toekomt. Dan zal Nederland in strijd handelen met de goede verdragstrouw handelen. Nederland
heeft hierop bedacht dat ze niet de waarde van de aanspraak in zijn geheel zal belasten, maar
slechts de premies.




7

,Toerekeningsregels:
De rangorderegeling staat in art. 2.14 IB, je volgt dan de volgorde zoals die in de wet genoemd
staat (lid 1 en 2). Het eerste wat je tegenkomt, dat is de bron waaronder je belast wordt. Iets kan
dus nooit tegelijkertijd onder twee bronnen van inkomen vallen.

Art. 2.14 kent ook nog een regeling voor schulden waarvan de rente niet aftrekbaar is (lid 3).
Sommige bepalingen in box 1 en 2 geven aan dat rentes van schulden niet aftrekbaar zijn, op
grond van de rangorderegeling zou je denken dat die schuld ook niet tot de rendementsgrondslag
in box 3 behoort. Dit vond de wetgever onwenselijk, op het moment dat je de rente expliciet in
box 1 of 2 niet kan aftrekken, de schuld toch nog tot de rendementsgrondslag van box 3 kan
horen. Box 3 heeft verder een peildatum, 1 januari, je moet dan kunnen bepalen of er sprake is
van box 3-vermogen in verband met de belastingheffing. Het zou dus kunnen betekenen dat je
voor die peildatum iets uit box 3 haalt en het onder box 1 en 2 onderbrengt. Na de peildatum
plaats je het weer in box 3. Hiervoor is lid 3 in het leven geroepen, het voorkomt oneigenlijk
gebruik.

Verzamelinkomen:
Het verzamelinkomen is het totaal van inkomsten in box 1,2 en 3 (zie art. 2.18 IB). Dit speelt
onder andere een rol bij de bepaling van niet-aftrekbare drempels bij persoonsgebonden
aftrekposten en sommige heffingskortingen.

Oefenvraag 1.10:
Marian heeft een bedrag van € 200.000 op haar spaarrekening bij de bank staan, maar dat levert
haar bijna geen rente op. Haar eenmanszaak heeft een liquiditeitstekort waardoor zij besluit €
150.000 als extra kapitaal in haar eenmanszaak te storten.

De storting op de bankrekening van de eenmanszaak vindt plaats op 28 oktober 2016. Op 20
januari 2017 is haar liquiditeitspositie in de eenmanszaak weer in orde en boekt ze de € 150.000
weer terug naar haar privérekening. Hoe wordt het bedrag in de IB betrokken?

Antwoord 1.10:
Zie art. 2.14 lid 3 onderdeel b en c IB speelt hierbij een rol. Onderdeel b zegt dat als het niet
meer dan drie maanden heeft geduurd, dan wordt geacht dat het nooit heeft plaatsgevonden. Het
vermogen valt dan in box 3. Wat gebeurt er als het na die drie maanden wordt teruggestort?
Bekijk onderdeel c, is het na drie maanden, maar niet langer dan zes maanden, dan heb je een
tegenbewijsmogelijkheid. Je kan dan allerlei zakelijke redenen aanbrengen, om aan te tonen dat
het niet tot box 3 behoort.

Oefenvraag 1.11:
Mohammed is 16 jaar en woont bij zijn ouders. In het weekend werkt hij als verkoper in een
schoenenwinkel in het centrum van Den Haag. Daar verdient hij € 3.500 per jaar mee. Daarnaast
heeft hij een aantal jaar gelden een erfenis van € 100.000 ontvangen. Van dat bedrag heeft
Mohammed € 30.000 gebruikt om aandelen in een bedrijf te kopen dat gespecialiseerd is in het
ontwikkelen van computerspelletjes. Het aandelenpakket van Mohamed vormt geen aanmerkelijk
belang in de zin van H4 Wet IB. Mohammed ontvangt op die aandelen een jaarlijks netto dividend
van € 1.500. De verschuldigde dividendbelasting hierover ad € 264,70 is ingehouden en
afgedragen door het bedrijf van de computerspelletjes. De resterende € 70.000 van de erfenis
heeft Mohammed op een spaarrekening gezet. Dit bedrag op de spaarrekening is inmiddels €
fanw73.500. Wie is/zijn belastingplichtig over het loon van de schoenenwinkel, de aandelen, het
dividend en het tegoed van zijn spaarrekening en wie kan/kunnen de geheven dividendbelasting
in aanmerking nemen?

Antwoord 1.11:
Het loon van de schoenenwinkel, daarover moet hij zelf belasting over betalen. Waarom? Staat
niet bij art. 2.15 Wet IB. De overige vermogensbestanddelen kunnen wel bij zijn ouders in
aanmerking worden genomen, zie art. 2.15 Wet IB. Hoe wordt het bij de ouders in aanmerking


8

,genomen? Zie hiervoor art. 2.17 Wet IB, kan 50/50. Op grond van lid 2 kunnen zij daar wel een
vrije verhouding in kiezen. Onderaan de streep komt dan je verschuldigde IB, daar houd je nog
de heffingskortingen vanaf, daarna kan je nog de voorheffingen vanaf halen (zoals LB of DB).

Oefenvraag 1.12:
Stel dat een bepaald voordeel zowel winst uit onderneming als resultaat uit overige
werkzaamheden kan vormen, hoe lost de Wet IB dit op?

Antwoord 1.12:
Zie de rangorderegeling, de eerste bron die in aanmerking kan worden genomen is de bron
waaronder je het vermogensbestanddeel kan schuiven.

Oefenvraag 1.13:
De opa van Monique was zeer vermogend. Een slimme fiscale constructie zorgde ervoor dat hij
een groot deel van zijn vermogen (5 miljoen euro) voor zijn overlijden in 2010 naar de
bankrekening van Monique tegen een laag tarief voor de schenk- en erfbelasting heeft kunnen
overmaken. Monique wordt in 2015 15 jaar. Zij heeft pas toegang tot haar rekening als ze 18 jaar
wordt. Wordt Monique zelf in de IB aangeslagen? Ga ervan uit dat het geld inkomen uit sparen
en beleggen vormt.

Antwoord 1.13:
Zie art. 2.15 lid 2 IB: het vermogen wordt toegerekend aan de ouder(s).

Belastbaar inkomen uit werk en woning:
Hier zijn we weer bij box 1, ook wel: overwegend analytisch (omdat alle bronnen in box 1 op één
hoop werden gegooid). Zie art. 3.1 IB: belastbaar inkomen uit W/W is het inkomen uit W/W
verminderd met de te verrekenen verliezen uit W/W (lid 1). Inkomen uit W/W (lid 2). Zie hiervoor
blz. 2.

Belastbaar loon (afd. 3.3):
Loon in de IB, is het loon in de LB (zie art. 3.81 IB). Loonheffing is een voorheffing op de
inkomstenbelasting. Bij sommige loonbestanddelen houdt de werkgever belasting in, de
werkgever is dit dan ook verschuldigd, zogenoemde eindheffingsbestanddelen (art. 3.84 IB).

Resultaat uit overige werkzaamheden:
Een soort restcategorie (art. 3.90), waarvoor de broncriteria voor gelden. Deze restcategorie is
ook onderverdeeld (de terbeschikkingsregelingen). De TBS-regeling probeert misbruik te
voorkomen, als jij als natuurlijk persoon een pand ter beschikking stelt aan je BV en je ontvangt
er huur over, dan valt de huur bij jou in box 1. Dit is bijna gelijk aan het tarief box 2 gecombineerd
met dividendbelasting, dus het strijkt zich glad. Dus je hebt een onderneming of werkzaamheid
(art. 3.91 hoofdlijnen) en aan een vennootschap waarin AB (art. 3.92 hoofdlijnen).
Zie daarnaast ook lucratieve belangen (art. 3.92b hoofdlijnen), bepaling resultaat via winstregime,
doch met uitzonderingen (3.95) en vrijstellingen (3.96).

Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (afdeling 3.5):
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen is ook een bron voor de IB, kenmerkend is:
- Onderdeel van een reeks
- Afhankelijk van toekomstige onzekere gebeurtenis (denk bijv. aan het leven van iemand,
dat noem je lijfrente)
- Die van wezenlijke betekenis moet zijn
- Onzekerheid beoordeeld vanuit schuldenaar
- Naar moment dat uitkeringen een aanvang nemen
- Uitkering geen onderdeel van een complex rechten en verplichtingen (het moet
voortvloeien uit een stamrecht, het is dus geen terugbetaling van een bedrag waarbij de
grootte en de omvang al vaststaat).

Wettelijke systematiek p.u’s:
Bekijk afd. 3.5 Wet IB, er zijn twee soorten periodieke uitkeringen:


9

, - Aangewezen PU (art. 3.100 lid 1 onderdeel a jo 3.101): vloeien voort uit
o een publiekrechtelijke regeling (maar de Wet op de Studiefinanciering kent dan
weer een specifieke uitzondering, art. 3.104 IB)
o rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiend
o in rechte vorderbaar en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen
o niet in rechte vorderbaar en ontvangen van een rechtspersoon
- Overige PU (art. 3.100 lid 1 onderdeel b t/m d)

Oefenvraag 1.14:
Peter en Emma zijn jarenland gehuwd geweest, maar op enig moment ‘was de koek op’. Zij zijn
in 2012 gescheiden. Daarbij is overeengekomen dat Peter en Emma maandelijks € 1.000 aan
alimentatie zal betalen. Wat zijn de gevolgen voor de IB van deze alimentatie bij Peter en Emma?

Antwoord 1.14:
Ja, voor Emma is het een periodieke uitkering. Deze vloeit rechtstreeks voort uit het familierecht
(art. 3.101 lid 1 onderdeel b IB). En hoe is het dan voor Peter? Dat is een persoonsgebonden
aftrekpost voor Peter, zie art. 6.3 lid 1 onderdeel a IB.

Belastbare inkomsten uit eigen woning (afdeling 3.6):
De wetgever zegt dat de inkomsten uit eigen woning ook een soort inkomen vormt, waarom? De
wetgever vond dat – als je een eigen woning bezit – dat je daarmee een voordeel had ten
opzichte van huurders, want met een eigen woning bouw je als het ware eigen vermogen op. Dit
noem je het eigenwoningforfait (art. 3.112 IB). Ook als je een eigen woning tijdelijk verhuurt, dat
je dan 70% van die verhuurinkomsten tot je inkomen kan rekenen (art. 3.113 IB). Daarnaast is
nog een voordeel dat je bepaalde kosten in aftrek mag brengen (art. 3.110 IB). De kostenposten
staan in art. 3.120 IB:
- Rente van schulden die behoren tot de EWS
- Idem m.b.t. kosten van geldleningen (gaat om kosten voor verkrijgingen, verlengen of
aflossen van geldleningen. Denk hierbij aan taxatiekosten woning, afsluitprovisie lening,
boeterente, etc.)
- Periodieke betalingen op grond van erfpacht
Vaak is het zo dat de kosten hoger zijn dan de voordelen uit eigen woning, je hebt dan als het
waren een negatieve post. Maar box 1 is overwegend analytisch, dus je mag alle inkomsten op
één hoop gooien en er dus ook mee verrekenen. Als je werkt of je hebt winst uit onderneming,
dan kan je de negatieve inkomsten uit eigen woning weer verrekenen met de andere bronnen
van inkomen.

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.7):
Je kunt in box 1 ook bepaalde aftrek claimen, als je uitgaven doet om op een later moment in je
inkomen te voorzien, denk aan (art. 3.124 IB):
- Premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort (door middel
van een lijfrenteverzekering)
- Premies voor lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide
(klein)kind
- Premies voor aanspraken op PU’s ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de
uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige zelf
Deze premies kan je dan als uitgaven in aanmerking nemen in box 1.

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.8):
Stel je voor dat je uitgaven doet voor een inkomensvoorziening, maar dat de verzekering wordt
geannuleerd. In dat geval moet je de terugontvangen premies weer tot je inkomen van box 1
rekenen (art. 3.132 IB). Ook als je handelt in strijd met de voorwaarden van die verzekering, dan
wordt de premieaftrek tot je inkomen genomen (art. 3.133). Op het moment dat je gaat emigreren
en je handelt in strijd met het verdrag, dan moet je de premies weer terugnemen en tot je
inkomen rekenen (art. 3.136 IB).




10

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
19 december 2018
Bestand laatst geupdate op
21 december 2018
Aantal pagina's
69
Geschreven in
2018/2019
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Onbekend
Bevat
Alle colleges

Onderwerpen

$4.76
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle reviews worden weergegeven
6 jaar geleden

5.0

1 beoordelingen

5
1
4
0
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
cheyennesherilyn Erasmus Universiteit Rotterdam
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
232
Lid sinds
12 jaar
Aantal volgers
143
Documenten
42
Laatst verkocht
2 maanden geleden

3.9

30 beoordelingen

5
10
4
10
3
7
2
2
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen