Praktijkfysio blok 1.4
Week 1:
Motorisch leren;
- Cognitief leren (denkend leren)
- Associatief leren (alle handelingen onder controle, maar je beheerst het nog niet allemaal
tegelijk)
- Autonoom leren (je kan de handelingen goed uitvoeren tegelijk, zonder denken)
Impliciet: zonder uitleg een handeling doen.
Expliciet: met uitleg en in logische volgorde van handelingen een handeling uitvoeren.
Sensomotorische cirkel: wat we doen geeft een reactie, je merkt iets op of je hebt pijn en je gaat
motorisch dat gedrag veranderen.
Habituatie: aanpassen aan een prikkel, die prikkel is prima, geeft geen reactie meteen.
Sensitisatie: een prikkel, waardoor je meteen een reactie opwekt.
Facilitatie: iets uitlokken, waardoor je aangeleerd gedrag ontdekt. Mogelijk maken, helpen en
ondersteunen indien nodig.
Klassieke-operante conditionering:
- Klassieke conditionering: leren van voorwaardelijke reflexen. Conditionering omvat een
proces waarin het gedrag van een mens verandert als gevolg van ervaringen die hij opdoet.
Het gaat om gedrag, dat onder bepaalde voorwaarden en condities tot stand komt en allengs
een gewoonte - een ingeslepen gedragspatroon - wordt: aangeleerd gedrag. Het bestraffen
van ongewenst - en het belonen van gewenst gedrag zijn de bekendste condities. Er zijn twee
soorten van conditionering: klassiek en operant.
- Operante conditionering omvat een proces waarin het gedrag van een mens verandert als
gevolg van de consequenties die dat gedrag heeft. Gedrag is een respons op een stimulus
(prikkel) en heeft altijd consequenties die de waarschijnlijkheid beïnvloeden dat het gedrag
herhaalt of juist nagelaten zal worden. Het bestraffen van ongewenst - en het belonen van
gewenst gedrag zijn de bekendste condities om gedrag te veranderen. Operante
conditionering wordt ook wel instrumentale conditionering genoemd.
Knowledge of results: de kennis over resultaat.
Knowledge of performance: de kennis over de handeling die uitgevoerd is.
Variatie
Het is van belang oefeningen te variëren, we onderscheiden daarbij: blocked practice (111-222-333),
serial practice (1-2-3-1-2-3-1-2-3) en random practice (2-3-1-1-3-2-1-3).
Chaining en chunking
‘Chaining’ is het aan elkaar koppelen van reflexen of handelingsfragmenten. Het vormen van de
‘brokjes’ van de handeling noemen we ‘chunking’. We onderscheiden in chaining dan nog weer
, ‘forward chaining’ en ‘backward chaining’. Forward chaining: eerst de brokjes/fragmenten leren en
dan pas het geheel vormen. Backward chaining: Beginnen bij het einddoel en geleidelijk terugwerken
Fading in en fading out
Fading in (insluipen) is het geleidelijk inbrengen van elementen (bv. afleiding of context)
Fading out (uitsluipen) is het geleidelijk afbouwen van elementen (bv. hulpmiddelen, verbale of
fysieke ondersteuning en feedback)
Zenuw;
Bestaat uit de radix (wortel) – plexus – spinale zenuw – perifere zenuw
Zenuwvezels 3 typen;
- Sensibele vezels
- Motorische vezels
- Autonoom (vegetatief) vezels
Inspectie bij een zenuwletsel van de Nervus Radialis:
Literatuur:
Kisner en Colby H13.3 box perifeer zenuwletsel:
Oorzaken;
- Trauma
- Compressie
- Hematoom (bloedprop bij nervus)
- Fractuur
Totale en lokale Inspectie;
- Standsverandering (hoe staat de arm in meerdere posities)
- Totale inspectie (typologie, bijv. slank, dik, klein)
- Kijken naar huid (blauwe plekken, haargroei, litteken, kleur)
- Circulatie (voelen of iemands pulsaties aanwezig zijn, trombose)
- Temperatuur (in hand, kleur, wit->arteriaal, blauw->vineus)
- Vegetatieve verschijnselen (nagels zijn ze brokkelig, prikkeldrempel zenuw)
- Kijken naar spieren (vallen snel uit, na de tintelingen, geen gevoel of hypersensibiliteit, denk
aan extensoren hand en Triceps Brachii)
- Tussen je duim en wijsvinger een prikkeltest voor de
Nervus Radialis
- Er ontstaat in rust een “dropping hand”
Drie soorten zenuwletsel:
- Sensibele vezels
- Motorische vezels
- Autonoom (vegetatief)
Week 1:
Motorisch leren;
- Cognitief leren (denkend leren)
- Associatief leren (alle handelingen onder controle, maar je beheerst het nog niet allemaal
tegelijk)
- Autonoom leren (je kan de handelingen goed uitvoeren tegelijk, zonder denken)
Impliciet: zonder uitleg een handeling doen.
Expliciet: met uitleg en in logische volgorde van handelingen een handeling uitvoeren.
Sensomotorische cirkel: wat we doen geeft een reactie, je merkt iets op of je hebt pijn en je gaat
motorisch dat gedrag veranderen.
Habituatie: aanpassen aan een prikkel, die prikkel is prima, geeft geen reactie meteen.
Sensitisatie: een prikkel, waardoor je meteen een reactie opwekt.
Facilitatie: iets uitlokken, waardoor je aangeleerd gedrag ontdekt. Mogelijk maken, helpen en
ondersteunen indien nodig.
Klassieke-operante conditionering:
- Klassieke conditionering: leren van voorwaardelijke reflexen. Conditionering omvat een
proces waarin het gedrag van een mens verandert als gevolg van ervaringen die hij opdoet.
Het gaat om gedrag, dat onder bepaalde voorwaarden en condities tot stand komt en allengs
een gewoonte - een ingeslepen gedragspatroon - wordt: aangeleerd gedrag. Het bestraffen
van ongewenst - en het belonen van gewenst gedrag zijn de bekendste condities. Er zijn twee
soorten van conditionering: klassiek en operant.
- Operante conditionering omvat een proces waarin het gedrag van een mens verandert als
gevolg van de consequenties die dat gedrag heeft. Gedrag is een respons op een stimulus
(prikkel) en heeft altijd consequenties die de waarschijnlijkheid beïnvloeden dat het gedrag
herhaalt of juist nagelaten zal worden. Het bestraffen van ongewenst - en het belonen van
gewenst gedrag zijn de bekendste condities om gedrag te veranderen. Operante
conditionering wordt ook wel instrumentale conditionering genoemd.
Knowledge of results: de kennis over resultaat.
Knowledge of performance: de kennis over de handeling die uitgevoerd is.
Variatie
Het is van belang oefeningen te variëren, we onderscheiden daarbij: blocked practice (111-222-333),
serial practice (1-2-3-1-2-3-1-2-3) en random practice (2-3-1-1-3-2-1-3).
Chaining en chunking
‘Chaining’ is het aan elkaar koppelen van reflexen of handelingsfragmenten. Het vormen van de
‘brokjes’ van de handeling noemen we ‘chunking’. We onderscheiden in chaining dan nog weer
, ‘forward chaining’ en ‘backward chaining’. Forward chaining: eerst de brokjes/fragmenten leren en
dan pas het geheel vormen. Backward chaining: Beginnen bij het einddoel en geleidelijk terugwerken
Fading in en fading out
Fading in (insluipen) is het geleidelijk inbrengen van elementen (bv. afleiding of context)
Fading out (uitsluipen) is het geleidelijk afbouwen van elementen (bv. hulpmiddelen, verbale of
fysieke ondersteuning en feedback)
Zenuw;
Bestaat uit de radix (wortel) – plexus – spinale zenuw – perifere zenuw
Zenuwvezels 3 typen;
- Sensibele vezels
- Motorische vezels
- Autonoom (vegetatief) vezels
Inspectie bij een zenuwletsel van de Nervus Radialis:
Literatuur:
Kisner en Colby H13.3 box perifeer zenuwletsel:
Oorzaken;
- Trauma
- Compressie
- Hematoom (bloedprop bij nervus)
- Fractuur
Totale en lokale Inspectie;
- Standsverandering (hoe staat de arm in meerdere posities)
- Totale inspectie (typologie, bijv. slank, dik, klein)
- Kijken naar huid (blauwe plekken, haargroei, litteken, kleur)
- Circulatie (voelen of iemands pulsaties aanwezig zijn, trombose)
- Temperatuur (in hand, kleur, wit->arteriaal, blauw->vineus)
- Vegetatieve verschijnselen (nagels zijn ze brokkelig, prikkeldrempel zenuw)
- Kijken naar spieren (vallen snel uit, na de tintelingen, geen gevoel of hypersensibiliteit, denk
aan extensoren hand en Triceps Brachii)
- Tussen je duim en wijsvinger een prikkeltest voor de
Nervus Radialis
- Er ontstaat in rust een “dropping hand”
Drie soorten zenuwletsel:
- Sensibele vezels
- Motorische vezels
- Autonoom (vegetatief)