Leerprincipes
Oriëntatie
Gedrag van dieren is een combinatie van erfelijke factoren en leerprocessen. Door leren
kunnen dieren zich aanpassen aan veranderingen in de omgeving. Hoeveel en wat een dier
leert is erfelijk bepaald en afhankelijk van het diersoort.
Leertheorieën
Verschillende gedragsonderzoekers onderzochten hoe dieren leren. Het resultaat van deze
onderzoeken moet je leerprincipes . De leerprincipes gelden als basis voor gedrag en veel
trainingsmethodes. Enkele belangrijke principes zijn:
• De klassieke conditionering (ervan uitgaan dat al het gedrag uit een reflex ontstaat).
• Het behaviorisme (ervan uitgaan dat gedrag ontstaat uit vrije wil) .
• De operatie conditionering (ervan uitgaan dat gedrag veranderd door
consequenties).
• Het cognitief leren ( ervan uitgaan van de intelligentie van het dier).
Onderzoeker Pavlov ontdekte de klassieke
conditionering rond 1904. Gedrag ontstaat door
prikkels die voor het dier iets betekenen. Dit zijn
prikkels met een hoge prikkelwaarde, die worden
ook wel onvoorwaardelijke prikkels genoemd.
Betekent een prikkel weinig voor een dier dan
hebben deze prikkels een lage prikkelwaarde. Bij dit
leerprincipe word er uitgegaan van een reflex waar
het dier geen invloed op heeft, maar wat door een
prikkel wordt uitgelokt. Hierbij kan er een betekenis
van een bepaalde prikkel aangeleerd worden. Sommige prikkels kunnen daarbij op elkaar
lijken dit word generalisatie genoemd.
Andere gingen er vanuit dat gedrag ontstond uit vrije wil, Dit werd behaviorisme genoemd.
Een leerprincipe die hier uit voorkomt is operante conditionering. Hierbij verandert het
gedrag door gevolgen dat eerder gedrag had. Hierbij kan gedrag toenemen door een
beloning (positieve invloed) of afnemen door
afstraffen (negatieve invloed).
Het leren door proberen werd als eerst onderzocht
tot Thorndike. Bij dit leerprincipe leren dieren een
bepaald gedrag te vertonen in een bepaalde situatie.
Hierdoor word het gedrag in een situatie steeds
Oriëntatie
Gedrag van dieren is een combinatie van erfelijke factoren en leerprocessen. Door leren
kunnen dieren zich aanpassen aan veranderingen in de omgeving. Hoeveel en wat een dier
leert is erfelijk bepaald en afhankelijk van het diersoort.
Leertheorieën
Verschillende gedragsonderzoekers onderzochten hoe dieren leren. Het resultaat van deze
onderzoeken moet je leerprincipes . De leerprincipes gelden als basis voor gedrag en veel
trainingsmethodes. Enkele belangrijke principes zijn:
• De klassieke conditionering (ervan uitgaan dat al het gedrag uit een reflex ontstaat).
• Het behaviorisme (ervan uitgaan dat gedrag ontstaat uit vrije wil) .
• De operatie conditionering (ervan uitgaan dat gedrag veranderd door
consequenties).
• Het cognitief leren ( ervan uitgaan van de intelligentie van het dier).
Onderzoeker Pavlov ontdekte de klassieke
conditionering rond 1904. Gedrag ontstaat door
prikkels die voor het dier iets betekenen. Dit zijn
prikkels met een hoge prikkelwaarde, die worden
ook wel onvoorwaardelijke prikkels genoemd.
Betekent een prikkel weinig voor een dier dan
hebben deze prikkels een lage prikkelwaarde. Bij dit
leerprincipe word er uitgegaan van een reflex waar
het dier geen invloed op heeft, maar wat door een
prikkel wordt uitgelokt. Hierbij kan er een betekenis
van een bepaalde prikkel aangeleerd worden. Sommige prikkels kunnen daarbij op elkaar
lijken dit word generalisatie genoemd.
Andere gingen er vanuit dat gedrag ontstond uit vrije wil, Dit werd behaviorisme genoemd.
Een leerprincipe die hier uit voorkomt is operante conditionering. Hierbij verandert het
gedrag door gevolgen dat eerder gedrag had. Hierbij kan gedrag toenemen door een
beloning (positieve invloed) of afnemen door
afstraffen (negatieve invloed).
Het leren door proberen werd als eerst onderzocht
tot Thorndike. Bij dit leerprincipe leren dieren een
bepaald gedrag te vertonen in een bepaalde situatie.
Hierdoor word het gedrag in een situatie steeds