1. Hoe ziet de levenscyclus van een zaadplant eruit?
a. Angiospermen
1. Wanneer de stamper ontwikkeld ontstaat er een embryo zak. In de embryozak
ontstaat een megasprorocyt, deze ondergaat meiose en hierdoor ontstaan er 4
megasporen waarvan er vaak maar 1 overblijft. Deze ene megaspore ondergaat
3 mitotische delingen en produceert zo een vrouwelijke gametofyt.
2. In de helmknoppen van de meeldraden zitten veel microsporocyten, elke
microsporocyt ondergaat meiose en er ontstaan 4 haploïde microsporen.
3. een microspore ontwikkeld zich in een stuifmeelkorrel. De generatieve cel van
de stuifmeelkorrel (mannelijke gametofyt) zal delen en zo 2 haploïde
geslachtcellen produceren. De buis cel maakt de stuifmeelbuis. De
microsporangium barst open en zo verlaten de stuifmeelkorrels de plant.
4. een stuifmeelkorrel komt terecht op de stempel van een plant en word via de
stuifmeelbuis, die nu uitgegroeid is tot aan het vruchtbeginsel van de bloem,
getransporteerd naar het vruchtbeginsel en voert de 2 haploïde mannelijke
gametofyten af aan de vrouwelijke gametofyt.
5. na het ontvangen van de 2 haploïde gametofyten fuseert 1 van de 2 met de
vrouwelijke gametofyt en zo bevrucht deze de vrouwelijke gametofyt, zo
ontstaat er een zygote. De andere mannelijke gametofyt fuseert met een diploïde
celkern en vormt zo het triploïde endosperm. Deze endosperm zorgt er later voor
dat er voedsel opgeslagen kan worden in het zaad. Dit proces wordt ook wel
dubbele bevruchting genoemd. Deze dubbele bevruchting is nodig zodat er alleen
een voedselvoorraad aangelegd wordt voor bevruchte zaden.
6. na de dubbele bevruchting ontwikkeld zich een zaadje, met de bevruchte
diploïde zygote, deze groeit uit tot een embryo en de triploïde endosperm zorgt
, voor de ontwikkeling van de zaadcoating en de voedselopslag in het zaad.
Tegelijkertijd ontwikkeld het vruchtbeginsel zich in een vrucht die om het zaadje
of om de zaden heen groeit. Deze vruchten zijn afhankelijk van de wind of van
dieren, en sommige vruchten zijn simpelweg afhankelijk van de zwaartekracht.
Het maken van zaden is voor de plant een kostelijk proces waar veel nutriënten
voor gebruikt worden.
7. wanneer het zaadje ontkiemt ontstaat er nieuwe sporocyt, deze groeit uit tot
een plant of boom en zo is de levenscyclus weer compleet.
b. Gymnospermen
1. de meeste pijnbomen hebben een stuifmeelkegel en ovulatiekegels
(dennenappels) bij sommige planten of bomen zitten deze samen in 1 orgaan.
De stuifmeelkegel bezit microsporangia en in de ovulatiekegel zitten
megasporangia.
2. microsporocyten delen door meiose en produceren zo haploïde microsporen.
De microsporen ontwikkelen zich in een stuifmeelkorrel.
3. een ovulatiekegel heeft in elke schub 2 eicellen. Elke eicel bezit een
megasporanguim.
4. bestuiving vind plaats wanneer de stuifmeelkorrel bij de eicel terecht komt. De
stuifmeelkorrel ontkiemt en vormt zo een stuifmeelbuis die langzaam verteerd
wordt onderweg naar de megasporangium.
5. tijdens het ontwikkelen van de stuifmeelbuis ondergaat de megasporocyt
meiose en produceert zo 4 haploïde cellen waarvan er maar 1 overleefd en
ontwikkeld tot megaspore.
6. de megaspore ontwikkeld zich in een vrouwelijke gametofyt, deze bezit 2 of 3
archegonia (meervoud van archegonium). Elk archegonium produceert een eitje.
a. Angiospermen
1. Wanneer de stamper ontwikkeld ontstaat er een embryo zak. In de embryozak
ontstaat een megasprorocyt, deze ondergaat meiose en hierdoor ontstaan er 4
megasporen waarvan er vaak maar 1 overblijft. Deze ene megaspore ondergaat
3 mitotische delingen en produceert zo een vrouwelijke gametofyt.
2. In de helmknoppen van de meeldraden zitten veel microsporocyten, elke
microsporocyt ondergaat meiose en er ontstaan 4 haploïde microsporen.
3. een microspore ontwikkeld zich in een stuifmeelkorrel. De generatieve cel van
de stuifmeelkorrel (mannelijke gametofyt) zal delen en zo 2 haploïde
geslachtcellen produceren. De buis cel maakt de stuifmeelbuis. De
microsporangium barst open en zo verlaten de stuifmeelkorrels de plant.
4. een stuifmeelkorrel komt terecht op de stempel van een plant en word via de
stuifmeelbuis, die nu uitgegroeid is tot aan het vruchtbeginsel van de bloem,
getransporteerd naar het vruchtbeginsel en voert de 2 haploïde mannelijke
gametofyten af aan de vrouwelijke gametofyt.
5. na het ontvangen van de 2 haploïde gametofyten fuseert 1 van de 2 met de
vrouwelijke gametofyt en zo bevrucht deze de vrouwelijke gametofyt, zo
ontstaat er een zygote. De andere mannelijke gametofyt fuseert met een diploïde
celkern en vormt zo het triploïde endosperm. Deze endosperm zorgt er later voor
dat er voedsel opgeslagen kan worden in het zaad. Dit proces wordt ook wel
dubbele bevruchting genoemd. Deze dubbele bevruchting is nodig zodat er alleen
een voedselvoorraad aangelegd wordt voor bevruchte zaden.
6. na de dubbele bevruchting ontwikkeld zich een zaadje, met de bevruchte
diploïde zygote, deze groeit uit tot een embryo en de triploïde endosperm zorgt
, voor de ontwikkeling van de zaadcoating en de voedselopslag in het zaad.
Tegelijkertijd ontwikkeld het vruchtbeginsel zich in een vrucht die om het zaadje
of om de zaden heen groeit. Deze vruchten zijn afhankelijk van de wind of van
dieren, en sommige vruchten zijn simpelweg afhankelijk van de zwaartekracht.
Het maken van zaden is voor de plant een kostelijk proces waar veel nutriënten
voor gebruikt worden.
7. wanneer het zaadje ontkiemt ontstaat er nieuwe sporocyt, deze groeit uit tot
een plant of boom en zo is de levenscyclus weer compleet.
b. Gymnospermen
1. de meeste pijnbomen hebben een stuifmeelkegel en ovulatiekegels
(dennenappels) bij sommige planten of bomen zitten deze samen in 1 orgaan.
De stuifmeelkegel bezit microsporangia en in de ovulatiekegel zitten
megasporangia.
2. microsporocyten delen door meiose en produceren zo haploïde microsporen.
De microsporen ontwikkelen zich in een stuifmeelkorrel.
3. een ovulatiekegel heeft in elke schub 2 eicellen. Elke eicel bezit een
megasporanguim.
4. bestuiving vind plaats wanneer de stuifmeelkorrel bij de eicel terecht komt. De
stuifmeelkorrel ontkiemt en vormt zo een stuifmeelbuis die langzaam verteerd
wordt onderweg naar de megasporangium.
5. tijdens het ontwikkelen van de stuifmeelbuis ondergaat de megasporocyt
meiose en produceert zo 4 haploïde cellen waarvan er maar 1 overleefd en
ontwikkeld tot megaspore.
6. de megaspore ontwikkeld zich in een vrouwelijke gametofyt, deze bezit 2 of 3
archegonia (meervoud van archegonium). Elk archegonium produceert een eitje.