Biodiversiteit: De verscheidenheid van soorten organismen.
Homologe organen: organen met dezelfde bouw maar een andere functie (en
soms vorm).
Rudimentaire organen: organen die bij (verre) voorouders nog een functie
hadden, maar door evolutionaire ontwikkeling hun functie hebben verloren.
Analoge organen: organen met dezelfde functie, maar een andere bouw.
Soort: organismen die kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen
voortbrengen.
Habitat: leefgebied
Populatie: een groep organismen, van één soort, die met elkaar in hetzelfde
habitat leven en onderling voortplanten.
Binaire nomenclatuur: dubbele naamgeving, een soortnaam bestaat uit twee
Latijnse woorden.
Geslacht: is de eerste naam van het organisme.
Soort: de tweede naam, wordt geschreven met een kleine letter
Genetische variatie: individuen zijn genetisch allemaal verschillend.
Adaptatie: aanpassen van individu aan zijn milieu.
Fitness: een betere adaptatie is een grotere overlevingskans meer kans op
nakomelingen.
Kunstmatige selectie: het uitkiezen van de beste varianten en daarmee door
te fokken/kweken.
Natuurlijke selectie: een organisme dat beter is aangepast aan de omgeving,
zal meer nakomelingen krijgen dan de minder goed aangepaste organisme. Zo
veranderd de populatie langzaam.
Selectiedruk: omstandigheden die de natuurlijke selectie bevorderen.
Competitie: een wedstrijd tussen levende organismen die op zoek zijn naar
vergelijkbare hulpbronnen, zoals bepaald voedsel of prooien.
Seksuele selectie: wanneer een vrouwtje voor de gezondste mannetjes kiezen,
met de beste genen.
Evolutietheorie: een verklaring voor het ontstaan van de soorten door
geleidelijke veranderingen.
Soortvorming: het ontstaan van nieuwe soorten.
Reproductieve isolatie: wanneer er een nieuw soort ontstaat doordat een deel
van de populatie wordt gescheiden van de rest waardoor ze niet samen
voortplanten, (bijv. scheiding door gebergte).