- Noem 4 ontwikkelingen die verklaren dat aan het begin van de 17 e eeuw een wetenschappelijke revolutie plaatsvond
- Leg uit dat verlichte denkers een nieuwe, kritische en optimistische visie op de maatschappij ontwikkelde
- Leg de verlichte ideeën van Locke, Rousseau, Montesquieu en Smith uit
- Leg uit waarom de nieuwe Europese politieke cultuur botste met de gelijktijdige centralisatiepolitiek van vorsten
16e en 17e eeuw – Geleerden gaan zelfstandig denken, redeneren en observeren (i.p.v. Bijbel/kerk)
Vanaf ca. 1600 – Wetenschappelijke revolutie
Deze revolutie hing samen met vier historische ontwikkelingen:
I. Door Europese ontdekkingsreizen werd men geconfronteerd met een nieuwe wereld waardoor wereldbeeld veranderd (Bijbels wereldbeeld klopt niet)
II. Geleerden krijgen hernieuwde interesse voor geschiedenis en literatuur uit de oudheid, gaan teksten anders interpreteren humanisme
III. Rationalisme (logisch redeneren) van Descartes vs Empirisme (zintuigen) van Locke discussies over vergaren van kennis
IV. Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap, zorgde voor betere onderzoeksinstrumenten
1650 – Start van de Verlichting
Geleerden stellen aspecten van de maatschappij ter discussie:
I. Godsdienst; door wetenschappelijke uitvindingen bleek de wereld afhankelijk van natuurwetten, en minder van God
II. Godsdienstvrijheid; verlichte denkers vinden geloof een persoonlijke zaak, wat niet door een vorst kan worden opgelegd
III. Gezagsverhoudingen; rede en verstand moesten bepalen wie bestuurde (niet afkomst) + men is in principe gelijk
Vooruitgangsgedachte = een groot vertrouwen in de mogelijkheden van de mens om de wereld rationeel te doorgronden en te verbeteren
De vooruitgangsgedachte kwam tot uiting in de ideeën van verlichte filosofen over opvoeding en onderwijs.
John Locke en Jean-Jacques Rousseau filosofeerde beide over de beste manier om burgers te beschermen tegen machtsmisbruik. Beide filosofen geloofde in
natuurrecht en het sociale contract.
Natuurrecht = het geheel van rechten die ieder mens van nature heeft, zoals het recht op leven, bezit en vrijheid
Sociaal contract = een denkbeeldige overeenkomst tussen de burgers en de vorst over de wijze van bestuur
Over de inhoud van dit sociaal contract verschilde de filosofen van mening.
, Locke:
Burgers zijn trouw aan hun vorst, en moeten zich houden aan de wetten die regering zelfstandig heeft gemaakt. In ruil bood vorst bescherming aan
zijn onderdanen en beloofde hij zijn macht niet te misbruiken. Alleen als de vorst zich niet aan die afspraken hield, mocht hij worden afgezet.
Rousseau:
De wetten moeten direct overeenkomen met wat alle burgers willen (algemene wil). Regering is geen zelfstandige instelling maar is het gevolg van
een directe democratie. De bevolking zou stemmen in het belang van iedereen waardoor de positie van slaven en armen ook vooruit zou gaan.
Ook Montesquieu dacht over het voorkomen van machtsmisbruik, hij bedacht de scheiding der machten. Adam Smith keerde zich ook tegen overmatige
staatsinvloed maar dan op economisch gebied; een vrije economie zou tot welvaart en geluk leiden.
18e eeuw – Nieuwe politieke cultuur als gevolg van verlichting
Publieke opinie = mening die door het grootste deel van het volk wordt gedeeld en die tot stand komt door een openbaar debat tussen burgers
Deze opinie zorgde voor spanningen met autoriteiten, die op datzelfde moment absolutisme nastreefde. Ze wilden het bestuur juist centraliseren en
rechtvaardigde hun macht dankzij droit divin.
Andere vorsten omarmden vorsten de verlichte ideeën, zonder absolutisme los te laten = Verlicht absolutisme
Deze vorsten legitimeerde hun bestuur niet vanuit geloof, maar vanuit rationeel denken.