- Noem 4 factoren die voor het verzwakken van het centrale gezag hebben gezorgd in China in de 19 e eeuw
- Beschrijf wat de gevolgen waren van het Westers imperialisme in China
- Beschrijf hoe het Chinese keizerrijk tussen 1900 en 1911 tot een einde kwam
Begin 19e eeuw Qingdynastie
Keizer ondersteund door groep ambtenaren, hebben verplicht staatsexamen afgelegd over confucianisme
= land kan alleen in harmonie bestaan als iedereen in de samenleving zich onderwerpt aan zijn meerdere
Vanaf eind 18e eeuw kreeg China te kampen met problemen die aanzien van het centrale bestuur en macht van de keizer en ambtenaren ondermijnden:
I. Hongersnoden, bevolking toegenomen maar landbouwproductie niet
II. Onvrede bevolking door corruptie ambtenaren en sociale tegenstellingen tussen arme boeren en rijke ambtenaren
Vanaf 16e eeuw handel tussen Westen en China initiatief lag bij Europeanen, waren verwonderd over ontwikkelde en machtige China.
Qingkeizers beschouwde Europeanen als ‘barbaren’ die niks konden leveren, en hielden handel af.
Vanaf 19e eeuw kreeg China te maken met modern imperialisme: als gevolg van industrialisatie kreeg Europa technologische voorsprong op China
konden wil opleggen bij keizers. Britten negeerde na een tijdje de handelsverboden en smokkelde vooral opium in ruil voor Chinese producten.
1839 – Woedende keizer laat al het Britse opium in beslag nemen en vernietigen
1839 tot 1860 – Twee opiumoorlogen, tegen Groot-Brittannië (later ook tegen Frankrijk)
China verloor beide oorlogen en werd gedwongen ongunstige verdragen te sluiten ongelijke verdragen
Met deze verdragen braken Groot-Brittannië en Frankrijk de Chinese markt open; kregen toegang tot kuststeden en gingen in sommige steden dienst
uitmaken. Verenigde Staten, Rusland en Japan volgde voorbeeld Fransen en Engelsen en dwongen soortgelijke verdragen af.
Eind 19e eeuw verloor keizerlijke overheid steeds meer zeggenschap over grondgebied en liep inkomsten mis, leidde tot woede Chinese bevolking tegenover
buitenlanders maar ook tegenover Qingkeizers.
, Chinese bevolking wilde moderniseren naar westers model, maar werd tegengehouden door behoudende ambtenaren.
Gevolg: Westen steeds machtiger en Chinese overheid moeite met oplossen sociaal-economische problemen voedingsbodem opstanden:
Taipingopstand (1851 tot 1864)
Grote delen midden, zuiden en oosten China in as gelegd. Leider opstand zag zichzelf als broer van Jezus, gezonden om eind te maken aan Qingdynastie
mede omdat keizer geen Han-Chinees was en ‘samenspande’ met de westerlingen.
Nianopstand (1853 tot 1868)
Noorden van het land, hongerlijdende boeren verenigde zich voor grootschalige plundertochten.
Omdat de mensen die in opstand kwamen, streefden naar sociale en politieke gerechtigheid, zou je hier emancipatiebewegingen in kunnen zien.
De opstandelingen slaagden er niet in het regime om te werpen, maar de roep om hervormingen werd wel steeds luider.
Belangrijkste hervormingsbeweging = Zelfversterkingsbeweging
Aanhangers geloofden dat Qingregime alleen kon overleven door in militair en bestuurlijk opzicht het voorbeeld van Westen en Japan te volgen. De
verplichte staatsexamens werden afgeschaft en er werd begin gemaakt met grondwet, maar keizerrijk was niet meer te redden.
1899 – Bokseropstand
Grote groepen landloze boeren vielen christelijke missionarissen aan, vernielde westerse bezittingen en blokkeerde ambassades.
1900 – Keizerin-weduwe Cixi steunt Bokseropstand
Buitenlandse mogendheden zijn woedend en slaan opstand hard neer vergroten militaire aanwezigheid en dwingen herstelbetalingen af.
Door de herstelbetalingen toenemende haat van de Chinese bevolking jegens het keizerlijke bestuur. Populariteit neemt verder af door de mislukte
hervormingen, enerzijds door te weinig financiële mogelijkheden, anderzijds door bewuste vertragingen van leden van keizerlijke familie.
Chinezen en militairen raakten hun vertrouwen kwijt in het keizerlijke bestuur en gehoorzaamde het landsbestuur niet langer:
1911 – Nationale revolutie maakt eind aan het keizerlijke bewind