Onderwijspedagogiek in neurocognitief
perspectief: de rol van neurowetenschappen in
onderwijzen en lezen
29.1, inleiding
Kennis van de hersenen is van belang om inzicht te krijgen in hoe we leren. Door de
ontwikkelingen binnen de technologie zijn we nu in staat om het opdoen van kennis direct te
koppelen aan veranderingen in de hersenen. Er is veel belangstelling om deze nieuwe inzichten
toe te passen in het onderwijs. Hierdoor zijn ook de onderwijsneurowetenschappen ontstaan,
een combinatie van onderwijs, ontwikkelingspsychologie en cognitieve neurowetenschappen.
Echter is de directe toepassing in het onderwijs nog moeilijk, onder andere door neuromythen.
Deze kunnen nadelige effecten hebben op de onderwijspraktijk, omdat ze niet waar zijn en
daardoor het vertrouwen in de neurowetenschappen laten kelderen. Verder hebben
leerkrachten moeite met het onderscheiden van deze mythen, waardoor ze kinderen de
verkeerde dingen aanleren of dit op de verkeerde manier doen.
Een andere reden waarom het moeilijk toe te passen is in de
praktijk, is door de verschillende niveaus van analyse in de
neurowetenschappen en het onderwijs. Op lagere niveaus van
onderzoek wordt dieper ingegaan op neurale processen, terwijl
er in het onderwijs meestal niet naar afzonderlijke functies of
processen gekeken. Het is dus moeilijk om informatie van een lager niveau toe te passen in een
hoger niveau. Neurowetenschappen kunnen wel een context bieden, een basis, over het
begrijpen van leerprocessen
29.2, historische achtergronden
Voordat we de hersenen in kaart konden brengen door technologie, werd al wel onderzoek naar
gedaan, maar waren we afhankelijk van de hersencellen van dode mensen. Daardoor weten we
wel dat deze bestaan uit grijze stof (cellichamen en dendrieten) en witte stof (axonen met
myelineschedes). Ook weten we dat de witte stof toeneemt als we ouder worden (lineair
patroon) en dat de grijze stof toeneemt tot de adolescentie en daarna weer afneemt (u-vorm).
Niet noodzakelijke neuronen en synapsen verdwijnen en belangrijke verbindingen ontstaan of
worden versterkt. Door de technologische ontwikkelingen kunnen we nu ook gezonde mensen
onderzoeken. Zo is ontdekt dat de hersenen niet alleen in de kindertijd sterk verandert, maar ook
nog in de late adolescentie. Ook weten we nu dat veranderingen niet overal op hetzelfde
moment plaatsvinden. Vooral de EEG en de fMRI hebben hier sterk aan bijgedragen. Zeker
onderzoek bij kinderen is sterk toegenomen, omdat we voorheen gebruik moesten maken van
dode mensen of mensen met hersenschade (wat kunnen zij niet meer en welke delen zijn
beschadigd?) en dit minder voorkwam bij kinderen.
Tegenwoordig is er steeds meer interesse naar de samenwerking tussen hersengebieden. Ook
wordt er steeds meer gekeken naar de neurale mechanismen die ten grondslag liggen aan