WEEK 5 | INLEIDING STRAFRECHT
HOORCOLLEGE
Onderwerp: “Strafprocesrecht: Opsporing & Vervolging”
Afgelopen twee weken hebben we het gehad over materieel strafrecht. Nu gaan we het hebben over
strafprocesrecht / formeel recht. Hoe kan de strafbaarheid verwezenlijkt worden?
Het doel van het strafprocesrecht is om uit te vogelen wat er gebeurd is en vervolgens om daar een oordeel
over te geven. Dit zijn de twee fasen in het strafprocesrecht.
- Eerste fase: voorbereidende onderzoek (art. 132 Sv); gegevens verzamelen (W5)
- (1) controle (2) opsporing (3) vervolging
- Tweede fase: eindonderzoek; terechtzitting in het openbaar; beoordelen (W6)
- (4) berechtiging
Het strafprocesrecht is helemaal bedoeld om uiteindelijk de waarheid te vinden. Het gaat hier om de
waarheid zoals de officier van justitie die heeft vastgelegd in de tenlastelegging.
1. Hoe stel je de waarheid vast?
2. Wat heb je nodig om de waarheid vast te stellen?
3. Door wie wordt die waarheid uiteindelijk vastgesteld?
Vrijwel alles wat gebeurt in het strafproces is een inbreuk op een grondrecht dan wel mensenrecht. De
eisen die gesteld worden en de autoriteit die daarover gaat worden zwaarder naarmate de inbreuk
zwaarder wordt. Uit art. 1 Sv blijkt dat elke handeling van strafproces een fundament in de wet moet
hebben: het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.
Het voorbereidende onderzoek is op te delen in: controle - opsporing - vervolging
1. Controle
Het doel is handhaven en in het achterhoofd preventie
2. Opsporing
Controle gaat over in opsporing, zodra er sprake is van een verdenking (“er zou een strafbaarheid
gepleegd kunnen zijn”). Dit kantelpunt is erg belangrijk, omdat vanaf dat moment de verdachte rechten
krijgt en er opsporingsbevoegdheden gaan gelden. Opsporing is het domein van het Openbaar
Ministerie. De officier van justitie geeft leiding aan de opsporing.
Wat zegt de wet over een verdenking?
- Art. 27 Wetboek van Strafvordering: “Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen,
aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld
aan een strafbaar feit voortvloeit.”
- De omschrijving van de verdenking moet individualiseerbaar, concretiseerbaar en objectiveerbaar zijn
- Bij de vraag of het gaat om een verdenking gaat het dus om:
- een redelijk vermoeden
- is begaan
- bepaald strafbaar feit
Wat zegt de wet over opsporing?
- Art. 132a Wetboek van Strafvordering: “Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met
strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen.”
- Een van de belangrijkste opsporingsmiddelen zijn dwangmiddelen. De dwangmiddelen worden meestal
gebruikt jegens de verdachte, maar ook soms jegens getuigen
Toetsen aan:
- Gevallen (bij welke delicten?)
- Gronden (met welk doel?)
- Autoriteit (wie heeft de bevoegdheid?)
- Subject (tegen wie?)
- (soms) Duur (hoe lang?)
,3. Vervolging
Er zijn 4 momenten in de wet en als die momenten zich voordoen is er sprake van vervolging.
Daden van vervolging:
- vorderen van voorlopige hechtenis (art. 63 Sv)
- vorderen van onderzoek door de rechter-commissaris (art. 181 Sv)
- uitvaardigen van een strafbeschikking (art. 257a Sv)
- aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting door te dagvaarden (art. 258 Sv)
Gezegd zou kunnen worden dat zodra een rechter in het spel komt, de vervolging begint. De officier van
justitie mag beslissen hoe er vervolgd wordt. Dit is te vinden in art. 169 Sv:
- Lid 1: “Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van
oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of
anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over.”
- Lid 2. “Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het
openbaar ministerie kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden, de beslissing of vervolging plaats
moet hebben voor een daarbij te bepalen termijn uitstellen.”
In het artikel staat de codificatie van het opportuniteitsbeginsel: de officier van justitie mag zelf bepalen of
hij zelf of niet gaat vervolgen of niet. In de praktijk heeft de officier van justitie minder macht, omdat hij is
verbonden aan de hiërarchische structuur en de richtlijnen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Verder kunnen er nog andere vervolgingsbeletselen zijn, zoals dat degene die je wil vervolgen overleden is.
Ook kan er niet iemand twee keer voor hetzelfde strafbare feit vervolgd worden. Dit alles zorgt voor een
beperking van het opportuniteitsbeginsel.
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Openbaar Ministerie
Parket-Generaal
College van procureurs-generaal
Ressortsparket
Advocaten-generaal
Arrondissementsparket
Officieren van justitie
Om te voorkomen dat de officier van justitie zijn vervolgingsmonopolie kan misbruiken, is art. 12 Sv in het
leven geroepen: als iemand niet vervolgd wordt, kunnen slachtoffers of nabestaanden bij het gerechtshof
hun wil uiten dat er wél vervolgd moet worden. Het Hof kan dan opdracht geven aan het OM om alsnog te
vervolgen.
, WERKCOLLEGE
Vraag 1
1.
Het verschil tussen toezicht (controle) en opsporing is dat er bij toezicht sprake is van handhaving en zodra
dit toezicht overgaat tot opsporing, er sprake is van een verdenking (“er zou een strafbaarheid gepleegd
kunnen zijn”).
Opsporing: 231 a Sv
- onderzoek
- strafbare feiten
- onder gezag Officier van Justitie
- strafvorderlijke beslissingen
Toezicht: controleren op naleving
2.
Is politieagent Lemming bevoegd om ademonderzoek uit te voeren bij Frits?
Hiervoor moet gekeken worden in de Wegenverkeerswet 1994:
- Art. 160 lid 5 WvW jo.
- Art. 159 a WvW jo.
- Art. 141-142 Sv.
- Art. 1 sub n WvW
In art. 160 lid 5 WvW staat dat de bestuurder van de auto verplicht mee moet doen aan een
ademonderzoek, als uit art. 159 a WvW jo. art 141-142 Sv. blijkt dat degene die daartoe vordert, bevoegd
is. Uit artikel 141 lid d Sv. blijkt dat Lemming een opsporingsambtenaar is en dus bevoegd is om
ademonderzoek bij de bestuurder van der auto uit te voeren. Art. 1 sub n WvW stelt dat de bestuurder van
de auto in dit geval Frits was.
3.
In de casus is het opsporingsonderzoek van start gegaan toen Lemming een redelijk vermoeden had dat er
een bepaald strafbaar feit is begaan (art. 27 Sv). Dat was toen Lemming aan Tom vroeg: “Die zak daar
onder je stoel, is dat van jou? Het lijkt wel cocaïne, of denk ik dat maar?. Lemming had een redelijk
vermoeden dat een bepaald strafbaar feit begaan was.
Voorwaarden start opsporingsonderzoek, volgend uit art. 27 Sv. :
- Objectiveerbaarheid
Redelijk vermoeden van schuld uit objectieve feiten
- zak wit poeder
- raar uit ogen
- Concretiseerbaarheid
- art. 2 sub c Opw. jo.
- art. 10 lid 3 Opw. (6 jaar) jo.
- art. 13 lid 2 Opw. (misdrijf)
- Individualiseerbaarheid
“degene” : Frits en Tom
Uit het Geweer-arrest blijkt de grens van toezicht en opsporing: als het toezicht rechtmatig gebeurt, mag er
over worden gegaan op opsporing (voortgezette handeling).
HOORCOLLEGE
Onderwerp: “Strafprocesrecht: Opsporing & Vervolging”
Afgelopen twee weken hebben we het gehad over materieel strafrecht. Nu gaan we het hebben over
strafprocesrecht / formeel recht. Hoe kan de strafbaarheid verwezenlijkt worden?
Het doel van het strafprocesrecht is om uit te vogelen wat er gebeurd is en vervolgens om daar een oordeel
over te geven. Dit zijn de twee fasen in het strafprocesrecht.
- Eerste fase: voorbereidende onderzoek (art. 132 Sv); gegevens verzamelen (W5)
- (1) controle (2) opsporing (3) vervolging
- Tweede fase: eindonderzoek; terechtzitting in het openbaar; beoordelen (W6)
- (4) berechtiging
Het strafprocesrecht is helemaal bedoeld om uiteindelijk de waarheid te vinden. Het gaat hier om de
waarheid zoals de officier van justitie die heeft vastgelegd in de tenlastelegging.
1. Hoe stel je de waarheid vast?
2. Wat heb je nodig om de waarheid vast te stellen?
3. Door wie wordt die waarheid uiteindelijk vastgesteld?
Vrijwel alles wat gebeurt in het strafproces is een inbreuk op een grondrecht dan wel mensenrecht. De
eisen die gesteld worden en de autoriteit die daarover gaat worden zwaarder naarmate de inbreuk
zwaarder wordt. Uit art. 1 Sv blijkt dat elke handeling van strafproces een fundament in de wet moet
hebben: het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.
Het voorbereidende onderzoek is op te delen in: controle - opsporing - vervolging
1. Controle
Het doel is handhaven en in het achterhoofd preventie
2. Opsporing
Controle gaat over in opsporing, zodra er sprake is van een verdenking (“er zou een strafbaarheid
gepleegd kunnen zijn”). Dit kantelpunt is erg belangrijk, omdat vanaf dat moment de verdachte rechten
krijgt en er opsporingsbevoegdheden gaan gelden. Opsporing is het domein van het Openbaar
Ministerie. De officier van justitie geeft leiding aan de opsporing.
Wat zegt de wet over een verdenking?
- Art. 27 Wetboek van Strafvordering: “Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen,
aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld
aan een strafbaar feit voortvloeit.”
- De omschrijving van de verdenking moet individualiseerbaar, concretiseerbaar en objectiveerbaar zijn
- Bij de vraag of het gaat om een verdenking gaat het dus om:
- een redelijk vermoeden
- is begaan
- bepaald strafbaar feit
Wat zegt de wet over opsporing?
- Art. 132a Wetboek van Strafvordering: “Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met
strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen.”
- Een van de belangrijkste opsporingsmiddelen zijn dwangmiddelen. De dwangmiddelen worden meestal
gebruikt jegens de verdachte, maar ook soms jegens getuigen
Toetsen aan:
- Gevallen (bij welke delicten?)
- Gronden (met welk doel?)
- Autoriteit (wie heeft de bevoegdheid?)
- Subject (tegen wie?)
- (soms) Duur (hoe lang?)
,3. Vervolging
Er zijn 4 momenten in de wet en als die momenten zich voordoen is er sprake van vervolging.
Daden van vervolging:
- vorderen van voorlopige hechtenis (art. 63 Sv)
- vorderen van onderzoek door de rechter-commissaris (art. 181 Sv)
- uitvaardigen van een strafbeschikking (art. 257a Sv)
- aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting door te dagvaarden (art. 258 Sv)
Gezegd zou kunnen worden dat zodra een rechter in het spel komt, de vervolging begint. De officier van
justitie mag beslissen hoe er vervolgd wordt. Dit is te vinden in art. 169 Sv:
- Lid 1: “Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van
oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of
anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over.”
- Lid 2. “Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het
openbaar ministerie kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden, de beslissing of vervolging plaats
moet hebben voor een daarbij te bepalen termijn uitstellen.”
In het artikel staat de codificatie van het opportuniteitsbeginsel: de officier van justitie mag zelf bepalen of
hij zelf of niet gaat vervolgen of niet. In de praktijk heeft de officier van justitie minder macht, omdat hij is
verbonden aan de hiërarchische structuur en de richtlijnen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Verder kunnen er nog andere vervolgingsbeletselen zijn, zoals dat degene die je wil vervolgen overleden is.
Ook kan er niet iemand twee keer voor hetzelfde strafbare feit vervolgd worden. Dit alles zorgt voor een
beperking van het opportuniteitsbeginsel.
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Openbaar Ministerie
Parket-Generaal
College van procureurs-generaal
Ressortsparket
Advocaten-generaal
Arrondissementsparket
Officieren van justitie
Om te voorkomen dat de officier van justitie zijn vervolgingsmonopolie kan misbruiken, is art. 12 Sv in het
leven geroepen: als iemand niet vervolgd wordt, kunnen slachtoffers of nabestaanden bij het gerechtshof
hun wil uiten dat er wél vervolgd moet worden. Het Hof kan dan opdracht geven aan het OM om alsnog te
vervolgen.
, WERKCOLLEGE
Vraag 1
1.
Het verschil tussen toezicht (controle) en opsporing is dat er bij toezicht sprake is van handhaving en zodra
dit toezicht overgaat tot opsporing, er sprake is van een verdenking (“er zou een strafbaarheid gepleegd
kunnen zijn”).
Opsporing: 231 a Sv
- onderzoek
- strafbare feiten
- onder gezag Officier van Justitie
- strafvorderlijke beslissingen
Toezicht: controleren op naleving
2.
Is politieagent Lemming bevoegd om ademonderzoek uit te voeren bij Frits?
Hiervoor moet gekeken worden in de Wegenverkeerswet 1994:
- Art. 160 lid 5 WvW jo.
- Art. 159 a WvW jo.
- Art. 141-142 Sv.
- Art. 1 sub n WvW
In art. 160 lid 5 WvW staat dat de bestuurder van de auto verplicht mee moet doen aan een
ademonderzoek, als uit art. 159 a WvW jo. art 141-142 Sv. blijkt dat degene die daartoe vordert, bevoegd
is. Uit artikel 141 lid d Sv. blijkt dat Lemming een opsporingsambtenaar is en dus bevoegd is om
ademonderzoek bij de bestuurder van der auto uit te voeren. Art. 1 sub n WvW stelt dat de bestuurder van
de auto in dit geval Frits was.
3.
In de casus is het opsporingsonderzoek van start gegaan toen Lemming een redelijk vermoeden had dat er
een bepaald strafbaar feit is begaan (art. 27 Sv). Dat was toen Lemming aan Tom vroeg: “Die zak daar
onder je stoel, is dat van jou? Het lijkt wel cocaïne, of denk ik dat maar?. Lemming had een redelijk
vermoeden dat een bepaald strafbaar feit begaan was.
Voorwaarden start opsporingsonderzoek, volgend uit art. 27 Sv. :
- Objectiveerbaarheid
Redelijk vermoeden van schuld uit objectieve feiten
- zak wit poeder
- raar uit ogen
- Concretiseerbaarheid
- art. 2 sub c Opw. jo.
- art. 10 lid 3 Opw. (6 jaar) jo.
- art. 13 lid 2 Opw. (misdrijf)
- Individualiseerbaarheid
“degene” : Frits en Tom
Uit het Geweer-arrest blijkt de grens van toezicht en opsporing: als het toezicht rechtmatig gebeurt, mag er
over worden gegaan op opsporing (voortgezette handeling).