1. In welk jaar publiceerde Darwin zijn evolutietheorie?
a. 1889
b. 1789
c. 1859
2. Welk vraagstuk probeerde Darwin op te lossen door zijn evolutietheorie?
a. Het ontstaan van de talrijke verschillende biologische soorten.
b. Het ontstaan van dierlijk leven op aarde.
c. Het bestaan van complexe organen, zoals het menselijk oog.
3. Aan welke ontwikkeling leverde Galton GEEN bijdrage?
a. tweelingonderzoek
b. psychologische tests
c. experimenteel onderzoek
d. vragenlijstonderzoek
4. Theorieën over het onderscheid tussen de linker- en de rechter hersenhelft zijn erg
populair. Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen:
I Tot enkele decennia terug werd de linker hersenhelft als superieur gezien.
II Lashley's theorie van equipotentialiteit benadrukt dat de elektrische spanning in beide
hersenhelften gelijk is.
a. I en II zijn juist.
b. Alleen I is juist.
c. Alleen II is juist.
d. I en II zijn onjuist
5. Lashley's experimenten met hersenchirurgie bij ratten lieten zien dat het verlies aan
leerervaringen vooral afhing van ...
a. de omvang van de hersenbeschadiging en de leeftijd van de rat.
b. de leeftijd van de rat en de locatie van de hersenbeschadingen.
c. de moeilijkheid van de geleerde taak en de omvang van de hersenbeschadiging.
d. de locatie van de hersenbeschadiging en de moeilijkheid van de geleerde taak.
6. Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen:
I Wat betreft de lokalisatie van psychische functies ondersteunde het werk van Broca en
Wernicke de theorie van Gall.
II Broca en Wernicke maakten in hun studies gebruik van elektrische stimulatie van
hersendelen.
a. I en II zijn juist.
b. Alleen I is juist.
c. Alleen II is juist.
d. I en II zijn onjuist
, 7. Welke opvatting hoort NIET bij het werk van Külpe?
a. Külpe meende dat introspectie van complexe mentale functies mogelijk was.
b. Külpe meende dat er gedachten mogelijk waren zonder inhoudelijke voorstelling
(imageless thought).
c. Külpe meende dat complexe mentale functies de optelsom waren van simpelere
bouwstenen: perceptie, apperceptie, discriminatie, substractie etc.
8. Met welke term wordt het werk van Wundt, Titchener en de Gestaltpsychologen
aangeduid?
a. evolutionaire psychologie
b. behaviorisme
c. cognitivisme
d. bewustzijnspsychologie
9. Wat was kenmerkend voor Wundts mentale chronometrie?
a. Onderzoek naar de beleving van tijd.
b. Onderzoek naar het effect van tijd op het geheugen.
c. Onderzoek naar reactietijden bij verschillende psychologische processen.
10. Wat was het vakgebied van waaruit Helmholtz en Fechner geinteresseerd raakten in
psychologische vraagstukken?
a. de filosofie
b. de fysica (natuurkunde)
c. de geneeskunde
11. Wat is de juiste chronologische volgorde
a. Flourens - Rogers – Freud
b. Freud - Flourens – Rogers
c. Flourens - Freud - Rogers
12. Wat was de houding van Pavlov ten opzichte van de psychologie?
a. Hij probeerde zich verre te houden van de psychologie.
b. Hij meende dat de psychologie het beste kon beginnen bij de studie van dieren.
c. Hij meende dat de psychologie zich moest beperken tot de studie van observeerbaar
gedrag.
13. Welke term hoort NIET bij het werk van Ivan Pavlov?
a. Inhibitie
b. Differentiatie
c. Sublimatie
d. Generalisatie