Soorten vragen:
1. Feitelijke vragen -> wat?
Waarnemen met zintuigen, antw is waar of onwaar, descriptief (beschrijving van
een feit)
2. Technische vragen -> hoe?
Instructie, antw is handelingsrecept, gebaseerd op
ervaring/intuïtie/wetenschappelijk onderzoek
3. Filosofische en ethische vragen -> waarom/waartoe?
Antw kan je niet bewijzen, geen definitief antw -> roept nieuwe vragen op
(sceptische opvatting)
Vanzelfsprekendheden doorbreken, prescriptief (wat de mens zou moeten zijn)
Normatief beroep: normen/waarden -> geen objectieve waarheid
Twijfelen/schipperen/dilemma’s kan waardevol zijn:
- Morele gevoeligheid (aanvoelen van goed/kwaad)
- Keuzemogelijkheden en onderbouwing (waarom wel én waarom niet)
- Erkenning complexiteit (begrijpen dat het lastig is) en verschillende
perspectieven
Wat is een goed leven?
- Goed leven is geluk
- Hedonisten: goed leven is genot (geluk is langdurig, genot is kortstondig)
- Goed leven is succesvol (tijgermoeders) -> discipline meegeven, veel trainen
(tegenovergestelde van geluk)
- Stoïcisme: goed leven kent geen storende emoties, vrede in onszelf
(gemoedsrust)
- Goed leven is sociaal, behoren tot bepaalde gemeenschap (verbonden met
anderen)
- Goed leven is politiek/activistisch (zorgen voor de wereld om je heen)
Opvoeding = bepaalde vorm van omgang tussen volwassenen en jeugdigen die erop
gericht is steun en richting te geven aan het proces van volwassenwording. Doel =
zelfstandigheid, zelfredzaamheid
- Cultuurpedagogische kwestie: wat is het ‘goede’ uit onze cultuur dat we aan de
volgende generatie willen overdragen?
1
,Opvoedingsmilieus:
1. Primair – gezin
Veranderingen: structuur; werkende moeder is normaal geworden,
onderhandelingshuishouding; andere gezagsverhoudingen tussen ouders/ouder
en kind, echtscheidingen, eenoudergezin
2. Secundair – school, kdv, gastouder (beroepsopvoeders)
Relaties ontwikkelen, conflicten, kennis opdoen, taal, cultuur, normen en
waarden
3. Tertiair – buurt, vrienden, leeftijdsgenoten (peergroup)
Jeugdcultuur: bep. Muziekvoorkeur, kleding, culturele en politieke idealen ->
maatschappelijke veranderingen
4. Quartair – multimediale wereld (internet, social media, telefoon, tv, games)
Sturing/begeleiding nodig
Pedagogische visie
Kindbeeld – kinderen in het algemeen (wat is/wil/kan een kind? Welke behoeften heeft
een kind?)
- Als object zien: kind heeft geen eigen inbreng, luisteren naar wat de opvoeder wil
- Als subject zien: kind is volwaardig persoon, eigen wil/persoonlijkheid, rekening
mee houden
Continuüm, verschilt per levensfase
Beeld vd opvoeder en pedagogische relatie
- Hangt samen met kindbeeld; als object zien -> autoritaire opvoeder
(beeldhouwer), als subject zien -> zaadje planten die zorg nodig heeft (tuinier)
Opvoedingsdoelen:
- Formuleren in eindtermen: wat kinderen moeten kunnen/weten/kennen
- Bepaald door cultuurhistorische context
- Kinderen leren zich in de maatschappij te handhaven: rekening houden, voor
zichzelf opkomen, aanpassen, verantwoordelijkheid
- Zichzelf ontplooien; mogelijkheden/kwaliteiten ontwikkelen, zichzelf zijn, zelf
beslissingen nemen
- Ontwikkelen van eigen identiteit
Opvoedingsmiddelen:
- Intentioneel/bewust proces om doelen te halen
- Bv: aandacht geven, kinderen geruststellen, stimuleren om risico’s te nemen
(kinderen worden soms over-beschermd)
- Straffen en belonen
- Regels stellen (en handhaven) – grenzen bieden veiligheid
- Onderhandelen (afhankelijk van context, moment)
- Voorleesboekjes, tv-programma’s, apps, spelletjes (omgaan met verliezen)
2
, Historische ontwikkeling van opvoedingsmiddelen:
- Tot 19e eeuw: dwang, onderdrukking, slaan
- Vanaf 19e eeuw: veel minder dwang, meer aandacht voor in gesprek gaan met
kinderen (de wereld uitleggen, zelf het goede voorbeeld geven), liefdevollere
opvoeding (gevoel, inleven in belevingswereld van het kind, intuïtie)
Opvoedingsvoorwaarden (= omstandigheden die opvoeders creëren om opvoeding
mogelijk te maken):
- Veilig voelen: kan op de opvoeder rekenen, acceptatie, steun, grenzen en regels
stellen
- Liefde en warmte geven, intimiteit
- Verzorging
- Opvoedingsrelatie: wederzijdse betrokkenheid en respect, ongelijke verdeling
verantwoordelijkheid
- Authenciteit/echtheid
Uitdaging: het kind loslaten, risico’s nemen, ervaringen opdoen
Pedagogische principes – regulatieve principes (= niet wetenschappelijk bewezen):
1. Opvoedingsprincipe: alle kinderen zijn op opvoeding aangewezen (hebben
opvoeding nodig) om zich te kunnen ontwikkelen
2. Vormbaarheidsprincipe: alle kinderen hebben het vermogen in zich om zich te
kunnen ontwikkelen
3. Activiteitsprincipe: kinderen willen dmv hun eigen activiteit bijdragen aan hun
ontwikkeling (kind is subject met eigen behoeftes, wensen, verlangens)
3 samenhangende pedagogische thema’s (18e eeuw):
1. Individualiteit: erkenning vd eigenheid van het kind
2. Activiteit: opdoen van ervaringen dmv zintuigen
3. Dialoog: gesprekken opvoeders-kinderen over ervaringen
Gezinshistorische benaderingen:
- Demografische benadering: kwantitatieve gegevens (gezinssamenstelling,
huwelijksvorming, geboorte, sterfte)
- Affectieve benadering: kwalitatieve bronnen (bv dagboek, kleding) -> gedrag,
beleving, motieven
- Historische maatschappijwetenschappen: sociaaleconomische, cultuur-
maatschappelijke en technologische ontwikkelingen
3