Leerdoelen Fysiologie Blok 2
Week 1 De vertering en functie van vetten
1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
1.3 Je benoemt de verschillende functies van vetten in het lichaam.
1.4 Je legt de functie en regulatie van hormonen betrokken bij honger en verzadiging uit.
Week 2 Transport van vetten
2.1 Je legt de vorming, samenstelling en functie van de verschillende lipoproteïnen uit.
2.2 Je legt het verschil in samenstelling van endogeen en exogene vetten uit.
2.3 Je legt uit welke routes endogene en exogene vetten in het lichaam afleggen via de
lymfe en het bloed.
2.4 Je benoemt de functies van cholesterol en legt het verschil tussen ‘goed’ en ‘slecht’
cholesterol uit in relatie tot het risico op hart- en vaatziekten.
Week 3 vertering en functie van eiwitten
3.1 Je legt uit hoe de vertering en opname van eiwitten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
3.2 Je legt de relatie tussen de aanwezigheid van eiwitten en de werking van
spijsverteringshormonen uit.
3.2 Je benoemt de functies van eiwitten in het lichaam en legt de anatomie van spierweefsel
uit.
Week 4 Eiwitbalans
4.1 Je benoemt de verschillende processen van de eiwitstofwisseling.
4.2 Je beschrijft de vorm en functie van DNA, RNA, mRNA en tRNA in relatie tot de
eiwitsynthese.
4.3 Je legt de werking en functie van de celorganellen die betrokken zijn bij de
eiwitsynthese uit.
Week 5 Energie uit de macronutriënten
5.1 Je beschrijft de stappen van de complete afbraak van glucose tot energie.
5.2 Je legt uit op welke manier de verbranding van vetten en eiwitten hieraan relateert.
Week 6 Eenzijdige inname macronutriënten
6.1 Je legt uit wat er in het lichaam gebeurt als iemand te veel of te weinig koolhydraten,
vetten of eiwitten binnenkrijgt.
Week 1 De vertering en functie van vetten
,1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
1.3 Je benoemt de verschillende functies van vetten in het lichaam.
1.4 Je legt de functie en regulatie van hormonen betrokken bij honger en verzadiging uit.
Hoe verloopt het spijsverteringsproces?
1. De inname oftewel ingestie gebeurt bij de inname van voeding via de mond.
2. Propulsie is het bewegen van de voedselbrij door het spijsverteringskanaal. Propulsie bestaat
uit slikken (bewust, de wil), de peristaltiek bewegingen (onvrijwillig). Tijdens dit proces worden
ook de spijsverteringssappen met de voedselbrij gemengd.
3. Mechanische vertering is het mechanisch voorbereiden van voedsel voor de chemische
vertering. Stappen van de mechanische vertering zijn: kauwen en het mixen van voedsel met
speeksel en spijsverteringssappen.
4. Chemische vertering bestaat uit katabole stappen die door de enzymen in de
spijsverteringssappen mogelijk worden gemaakt. Bij deze stap worden complexe
voedselmoleculen afgebroken tot makkelijk absorbeerbare moleculen.
5. Absorptie. Bij deze stap worden verteerde eindproducten vanuit het lumen van het
spijsverteringskanaal opgenomen in het bloed via actief en passief transport.
6. Defaecatie. Bij de laatste stap worden onverteerbare voedselresten uitgescheiden door de
ontlasting.
1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
Welke verschillende soorten lipiden hebben wij in ons lichaam en wat is de structuur?
1. Vetten (triglyceriden), bestaan uit een molecuul glycerol en 3 vetzuren. Triglyceriden worden
onderverdeeld in verzadigde en onverzadigde vetten (met dubbele binding =)
7. Vetachtige stoffen —> fosfolipiden (hebben aan het glycerol naast 2 vetzuren een
fosfaatmolecuul —> zorgt er voor dat het oplosbaar in water wordt, vastzitten). Een voorbeeld
van een fosfolipide is lecithine (emulgator). Sterolen (heeft een ringstructuur) is ook een
voorbeeld van een vetachtige stof. De bekendste hiervan is cholesterol.
Wat zijn de functies van vetten?
De functies van vetten zijn: brandstof leveren (9 kcal/gram), als bouwstof, is een warmte-isolator,
zorgen voor regulatie en structuur en energiereserve. Het is een drager van vetoplosbare
vitamines en onderdrukt het hongergevoel. Daarnaast is het ook een transportmiddel van onder
andere hormonen en is het het belangrijkste onderdeel in celmembranen. Bij de vertering van
triglyceriden worden deze afgebroken tot monoglyceriden, veturen en glycerol. Dit gaat lastig want
vetten zijn hydrofoob (niet in water oplosbaar), en de verteringsenzymen zijn hydrofiel. Er zijn dus
verteringssappen nodig die met vetten kunnen mixen. Er zijn verschillende soorten vetten die een
verschillende functie hebben:
Triglyceriden: energie, energie reserve, isolatie, bescherming en vervoerder.
Fosfolipiden: belangrijk onderdeel in het celmembraan (vormt het ‘laagje’, dubbele laag
fosfolipiden), lipide transporteur en dienen als emulgator.
Sterolen: vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen, precursor (voorganger, een stof
waar je lichaam iets anders mee kan maken) voor vetoplosbare vitamines en steroïdhormonen.
Van sterolen kunnen ook geslachtshormonen gemaakt worden. Ze zorgen voor de productie van
galzuren.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
Wat is het doel van de vetvertering?
, Bij vetvertering worden lipiden afgebroken tot monoglyceriden, vetzuren en glycerol met behulp
van maar 1 type enzym, namelijk lipase. Deze kunnen namelijk wel door de darmcellen worden
opgenomen. Dit is een uitdaging want vetten zijn hydrofoob en verteringsenzymen zijn hydrofiel.
De oplossing hiervoor is om de vetten goed te mixen met verteringssappen met behulp van een
enzym.
Hoe verloopt de vertering en opname van vetten (noem de functie en plaats van de
betrokken organen en enzymen)?
1. In de mond worden harde vetten gesmolten door de lichaamstemperatuur en gemixt met
verteringssapen. In de mond bevindt het lingual lipase, dit enzym wordt pas actief wanneer er
gastric lipase aan wordt toegevoegd. Dit gebeurt pas in de maag.
8. In de maag wordt er gastric lipase toegevoegd, hierdoor kunnen de vetten worden
afgebroken in kleinere vetdruppels.
9. In de dunne darm/ intestinum tenue (+- 200 m2): 3 delen: duodenum, jejenum en ileum. De
galbuis (ductus choledochus) en alvleesklierbuis (ductus pancreaticus) hebben als uitmonding
de Papil van Vater en eindigt in het duodenum (12-vingerige darm). De duodenum en
jejenum produceren een peptidehormoon, CCK, die zorgt voor de afgifte van gal en
alvleeskliersap. Dit emulgeert (gal) vet in kleine vetdruppels waardoor het beter mengt met
water, daarna vormt het micellen (deel hydrofiel en deel hydrofoob). Deze verspreiden in de
cellen van de dunne darmwand waar ze opnieuw triglyceriden vormen. Dan binden ze aan
chylomicronen (grootste lipoproteïne) waarna ze worden vervoerd vanuit de darm via de lymfe
en het bloed naar de rest van het lichaam. Gal vergroot het oppervlak voor de werking van
lipase in de alvleesklier en de darmkliercellen. CCK stimuleert daarnaast het
verzadigingsgevoel. De meeste sterolen kunnen meteen opgenomen worden maar
triglyceriden en fosfolipiden hebben eerst een hydrolysereactie (water bij nodig) nodig om
daarna opgenomen te kunnen worden. Later is de resorptie van gal in de dunne darm. De
kleine vetmoleculen worden direct in de bloedstroom opgenomen via de dunne darmwand.
Waar wordt gal geproduceerd?
Gal wordt geproduceerd in de lever, zo’n 600-1000 ml/dag en wordt opgeslagen in ingedikte
toestand in de opslag van de lever. Gal bestaat uit galzuren, galzouten, cholesterol, fosfolipiden,
water, elektrolyten en bilirubine (=pigmentstof, geeft kleur aan ontlasting). Door de galzouten in de
gal worden vetten geëmulgeerd en ontstaan micellen zodat de vetten makkelijker verteerbaar zijn.
De functie van gal is het emulgeren van vet en is vergelijkbaar met de werking van afwasmiddel.
Welke 2 routes voor absorptie van vet (= opnemen van vloeistof of gas) zijn er?
1. Diffusie —> enterocyt —> bloedsomloop
10. Vorming van micellen —> enterocyt —> chilomicronen —> lymfe —> bloedsomloop. (In de
darmcel worden de micellen verpakt zodat het aan de lymfe kan worden afgegeven).
Wat zijn micellen?
Micellen ontstaan tijdens de vertering in de dunne darm. Door micellen zijn vetten makkelijker
verteerbaar. Het zijn geëmulgeerde vetdruppels, de binnenkant bestaat uit verteringsproducten en
de buitenkant bestaat uit galmoleculen. Micellen zijn oplosbaar in water. De diffusie gebeurt met de
celmembraan. Een micel is een microscopisch kleine structuur van een aantal moleculen van een
oppervlakte-actieve stof in water. Oppervlakte-actieve stoffen zijn amfifiele verbindingen. Dat wil
zeggen dat een deel van het molecuul hydrofiel is en een deel hydrofoob.
Wat gebeurt er in de enterocyt?
In de enterocyt worden triglyceriden gevormd en verpakt to chylomicronen. Afgifte aan
lymfe??
Week 1 De vertering en functie van vetten
1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
1.3 Je benoemt de verschillende functies van vetten in het lichaam.
1.4 Je legt de functie en regulatie van hormonen betrokken bij honger en verzadiging uit.
Week 2 Transport van vetten
2.1 Je legt de vorming, samenstelling en functie van de verschillende lipoproteïnen uit.
2.2 Je legt het verschil in samenstelling van endogeen en exogene vetten uit.
2.3 Je legt uit welke routes endogene en exogene vetten in het lichaam afleggen via de
lymfe en het bloed.
2.4 Je benoemt de functies van cholesterol en legt het verschil tussen ‘goed’ en ‘slecht’
cholesterol uit in relatie tot het risico op hart- en vaatziekten.
Week 3 vertering en functie van eiwitten
3.1 Je legt uit hoe de vertering en opname van eiwitten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
3.2 Je legt de relatie tussen de aanwezigheid van eiwitten en de werking van
spijsverteringshormonen uit.
3.2 Je benoemt de functies van eiwitten in het lichaam en legt de anatomie van spierweefsel
uit.
Week 4 Eiwitbalans
4.1 Je benoemt de verschillende processen van de eiwitstofwisseling.
4.2 Je beschrijft de vorm en functie van DNA, RNA, mRNA en tRNA in relatie tot de
eiwitsynthese.
4.3 Je legt de werking en functie van de celorganellen die betrokken zijn bij de
eiwitsynthese uit.
Week 5 Energie uit de macronutriënten
5.1 Je beschrijft de stappen van de complete afbraak van glucose tot energie.
5.2 Je legt uit op welke manier de verbranding van vetten en eiwitten hieraan relateert.
Week 6 Eenzijdige inname macronutriënten
6.1 Je legt uit wat er in het lichaam gebeurt als iemand te veel of te weinig koolhydraten,
vetten of eiwitten binnenkrijgt.
Week 1 De vertering en functie van vetten
,1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
1.3 Je benoemt de verschillende functies van vetten in het lichaam.
1.4 Je legt de functie en regulatie van hormonen betrokken bij honger en verzadiging uit.
Hoe verloopt het spijsverteringsproces?
1. De inname oftewel ingestie gebeurt bij de inname van voeding via de mond.
2. Propulsie is het bewegen van de voedselbrij door het spijsverteringskanaal. Propulsie bestaat
uit slikken (bewust, de wil), de peristaltiek bewegingen (onvrijwillig). Tijdens dit proces worden
ook de spijsverteringssappen met de voedselbrij gemengd.
3. Mechanische vertering is het mechanisch voorbereiden van voedsel voor de chemische
vertering. Stappen van de mechanische vertering zijn: kauwen en het mixen van voedsel met
speeksel en spijsverteringssappen.
4. Chemische vertering bestaat uit katabole stappen die door de enzymen in de
spijsverteringssappen mogelijk worden gemaakt. Bij deze stap worden complexe
voedselmoleculen afgebroken tot makkelijk absorbeerbare moleculen.
5. Absorptie. Bij deze stap worden verteerde eindproducten vanuit het lumen van het
spijsverteringskanaal opgenomen in het bloed via actief en passief transport.
6. Defaecatie. Bij de laatste stap worden onverteerbare voedselresten uitgescheiden door de
ontlasting.
1.1 Je benoemt de verschillende soorten en structuur van lipiden in ons lichaam.
Welke verschillende soorten lipiden hebben wij in ons lichaam en wat is de structuur?
1. Vetten (triglyceriden), bestaan uit een molecuul glycerol en 3 vetzuren. Triglyceriden worden
onderverdeeld in verzadigde en onverzadigde vetten (met dubbele binding =)
7. Vetachtige stoffen —> fosfolipiden (hebben aan het glycerol naast 2 vetzuren een
fosfaatmolecuul —> zorgt er voor dat het oplosbaar in water wordt, vastzitten). Een voorbeeld
van een fosfolipide is lecithine (emulgator). Sterolen (heeft een ringstructuur) is ook een
voorbeeld van een vetachtige stof. De bekendste hiervan is cholesterol.
Wat zijn de functies van vetten?
De functies van vetten zijn: brandstof leveren (9 kcal/gram), als bouwstof, is een warmte-isolator,
zorgen voor regulatie en structuur en energiereserve. Het is een drager van vetoplosbare
vitamines en onderdrukt het hongergevoel. Daarnaast is het ook een transportmiddel van onder
andere hormonen en is het het belangrijkste onderdeel in celmembranen. Bij de vertering van
triglyceriden worden deze afgebroken tot monoglyceriden, veturen en glycerol. Dit gaat lastig want
vetten zijn hydrofoob (niet in water oplosbaar), en de verteringsenzymen zijn hydrofiel. Er zijn dus
verteringssappen nodig die met vetten kunnen mixen. Er zijn verschillende soorten vetten die een
verschillende functie hebben:
Triglyceriden: energie, energie reserve, isolatie, bescherming en vervoerder.
Fosfolipiden: belangrijk onderdeel in het celmembraan (vormt het ‘laagje’, dubbele laag
fosfolipiden), lipide transporteur en dienen als emulgator.
Sterolen: vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen, precursor (voorganger, een stof
waar je lichaam iets anders mee kan maken) voor vetoplosbare vitamines en steroïdhormonen.
Van sterolen kunnen ook geslachtshormonen gemaakt worden. Ze zorgen voor de productie van
galzuren.
1.2 Je legt uit hoe de vertering en opname van vetten verloopt aan de hand van de functie
en plaats van de betrokken organen en enzymen.
Wat is het doel van de vetvertering?
, Bij vetvertering worden lipiden afgebroken tot monoglyceriden, vetzuren en glycerol met behulp
van maar 1 type enzym, namelijk lipase. Deze kunnen namelijk wel door de darmcellen worden
opgenomen. Dit is een uitdaging want vetten zijn hydrofoob en verteringsenzymen zijn hydrofiel.
De oplossing hiervoor is om de vetten goed te mixen met verteringssappen met behulp van een
enzym.
Hoe verloopt de vertering en opname van vetten (noem de functie en plaats van de
betrokken organen en enzymen)?
1. In de mond worden harde vetten gesmolten door de lichaamstemperatuur en gemixt met
verteringssapen. In de mond bevindt het lingual lipase, dit enzym wordt pas actief wanneer er
gastric lipase aan wordt toegevoegd. Dit gebeurt pas in de maag.
8. In de maag wordt er gastric lipase toegevoegd, hierdoor kunnen de vetten worden
afgebroken in kleinere vetdruppels.
9. In de dunne darm/ intestinum tenue (+- 200 m2): 3 delen: duodenum, jejenum en ileum. De
galbuis (ductus choledochus) en alvleesklierbuis (ductus pancreaticus) hebben als uitmonding
de Papil van Vater en eindigt in het duodenum (12-vingerige darm). De duodenum en
jejenum produceren een peptidehormoon, CCK, die zorgt voor de afgifte van gal en
alvleeskliersap. Dit emulgeert (gal) vet in kleine vetdruppels waardoor het beter mengt met
water, daarna vormt het micellen (deel hydrofiel en deel hydrofoob). Deze verspreiden in de
cellen van de dunne darmwand waar ze opnieuw triglyceriden vormen. Dan binden ze aan
chylomicronen (grootste lipoproteïne) waarna ze worden vervoerd vanuit de darm via de lymfe
en het bloed naar de rest van het lichaam. Gal vergroot het oppervlak voor de werking van
lipase in de alvleesklier en de darmkliercellen. CCK stimuleert daarnaast het
verzadigingsgevoel. De meeste sterolen kunnen meteen opgenomen worden maar
triglyceriden en fosfolipiden hebben eerst een hydrolysereactie (water bij nodig) nodig om
daarna opgenomen te kunnen worden. Later is de resorptie van gal in de dunne darm. De
kleine vetmoleculen worden direct in de bloedstroom opgenomen via de dunne darmwand.
Waar wordt gal geproduceerd?
Gal wordt geproduceerd in de lever, zo’n 600-1000 ml/dag en wordt opgeslagen in ingedikte
toestand in de opslag van de lever. Gal bestaat uit galzuren, galzouten, cholesterol, fosfolipiden,
water, elektrolyten en bilirubine (=pigmentstof, geeft kleur aan ontlasting). Door de galzouten in de
gal worden vetten geëmulgeerd en ontstaan micellen zodat de vetten makkelijker verteerbaar zijn.
De functie van gal is het emulgeren van vet en is vergelijkbaar met de werking van afwasmiddel.
Welke 2 routes voor absorptie van vet (= opnemen van vloeistof of gas) zijn er?
1. Diffusie —> enterocyt —> bloedsomloop
10. Vorming van micellen —> enterocyt —> chilomicronen —> lymfe —> bloedsomloop. (In de
darmcel worden de micellen verpakt zodat het aan de lymfe kan worden afgegeven).
Wat zijn micellen?
Micellen ontstaan tijdens de vertering in de dunne darm. Door micellen zijn vetten makkelijker
verteerbaar. Het zijn geëmulgeerde vetdruppels, de binnenkant bestaat uit verteringsproducten en
de buitenkant bestaat uit galmoleculen. Micellen zijn oplosbaar in water. De diffusie gebeurt met de
celmembraan. Een micel is een microscopisch kleine structuur van een aantal moleculen van een
oppervlakte-actieve stof in water. Oppervlakte-actieve stoffen zijn amfifiele verbindingen. Dat wil
zeggen dat een deel van het molecuul hydrofiel is en een deel hydrofoob.
Wat gebeurt er in de enterocyt?
In de enterocyt worden triglyceriden gevormd en verpakt to chylomicronen. Afgifte aan
lymfe??