De rechtsvraag die bij het portacabin arrest centraal staat is: Is de portacabin door
natrekking onderdeel van de grond en dus onroerend geworden?
De rechtsregel die bij het portacabin arrest centraal staat is dat een gebouw duurzaam met
de grond verenigd kan zijn, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter
plaatse te blijven. Hierbij is het dus niet van belang of het technisch gezien mogelijk is om
het gebouw te verplaatsen. Of een gebouw bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven,
hangt onder meer af van de bedoeling van de bouwer. Het met de grond verenigd zijn kan
dus een fysieke verbinding zijn, maar ook voortvloeien uit de bestemming.
Verkeersopvattingen zijn geen zelfstandige maatstaf voor de vraag of een zaak roerend of
onroerend is. De verkeersopvattingen zijn echter wel een zelfstandig criterium voor bepaling.
Op 1 april 1997 heeft de Ontvanger ten laste van een door Buys opgerichte vennootschap
executoriaal beslag laten leggen op de roerende zaken die zich in het pand van Buys
bevonden. Door de deurwaarder is toen mede beslag gelegd op de portacabin als ware het
een roerende zaak. Vervolgens heeft Buys voor de datum van de openbare verkoop, met
toestemming van de Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht. Rabobank komt hier
achter en vordert in het geding dat voor recht zal worden verklaard dat de portacabin onder
haar recht van hypotheek op het bedoelde perceel valt. De Ontvanger stelt zich op het
standpunt dat de portacabin roerend is nu het niet in de zin van art. 3:3 BW duurzaam met
de grond verenigd was.
Dépex/Curatoren van Bergel arrest
De rechtsvraag die centraal staat in dit arrest is: Is de onder eigendomsvoorbehoud
geleverde apparatuur bestanddeel geworden van de fabriekshal waarin de apparatuur staat?
Art. 3:4 lid 1 BW bepaalt dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak
uitmaakt, een bestanddeel van die zaak is. De beantwoording van de vraag of apparatuur
volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een gebouw, dient men te beoordelen of
de apparatuur en het gebouw in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, dan
wel of het gebouw in algemene zin bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet
worden beschouw. Het gaat hierbij niet om de vraag of het productieproces dat in het
gebouw wordt uitgeoefend zonder de desbetreffende apparatuur kan worden voortgezet of
niet.
, Hofland Hennis
De feiten
Hofland bood in een advertentie een huis voor een bepaalde prijs te koop aan.
Hennis zag deze advertentie staan en aanvaarde het aanbod. Toen Hofland zag
wie het aanbod had aanvaard, kwam hij op zijn aanbod terug. Hofland stelde
dat er door de aanvaarding van Hennis geen koopovereenkomst tot stand is
gekomen. Hennis stelt dat er door zijn aanvaarding wel degelijk een
koopovereenkomst tot stand is gekomen.
De rechtsvraag
Is er door de aanvaarding van Hennis een koopovereenkomst tot stand
gekomen?
Advertenties waarin een individueel bepaalde zaak voor een
bepaalde prijs te koop wordt aangeboden is een uitnodiging tot het
doen van een aanbod. Advertenties waarin soortzaken worden
aangeboden, zoals een kilo tomaten of een pak melk, gelden wel als
aanbod in de zin van 6:217 BW.