Veel besluiten worden op ‘aanvraag’ genomen. Art 1:3 lid 3 wordt dit begrip gedefnieerd als een
verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Uit art 4:13 vloeit voort dat
bestuursorganen verplicht zijn op een aanvraag om een beschikking te beslissen. Is het verzoek om
een besluit te nemen echter afomssg van iemand die belanghebbende is , dan bestaat deze
verplichsng niet en is de afwijzing daarvan geen besluit in de zin van 1:3 lid 2.
Voordat een bestuursorgaan een besluit neemt, moet het op grond van art. 3:2 de nodige kennis
hebben vergaard omtrent de voor dit besluit relevante feiten en af te wegen belangen.
Vervolgens schrijf art. 3:4 lid 1 dat voor de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten
worden afgewogen. En als het om beschikkingen gaat, bepalen 4:7 en 4:8 dat aanvragen voorafgaand
aan een afwijzing van hun aanvraag en andere belanghebbenden voorafgaand aan beschikkingen
waartegen ze naar verwachsng bedenkingen hebben, onder bepaalde voorwaarden moeten worden
gehoord. Uit deze normen blijkt dat een bestuursorgaan al voordat een besluit wordt genomen
wordt, een beeld moet hebben van de daarbij betrokken belanghebbenden om te kunnen bepalen
wiens belangen geïnventariseerd (3:2) en afgewogen (3:4 lid 1) moeten worden, en wie voorafgaand
aan het te nemen besluit in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen (4:7 en 4:8).
Op grond van art 8:1 kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de
bestuursrechter. Het beroepsrecht komt dus alleen toe aan belanghebbenden.
Is iemand geen belanghebbende, dan volgt onherroepelijk een niet-ontvankelijkverklaring en krijgt
deze persoon geen inhoudelijke beoordeling van zijn zaak.
8:26 de rechter de bevoegdheid biedt belanghebbenden tot sluisng van het onderzoek ter zitng als
parsj toe te laten en aan het geding deel te nemen.
Wie belanghebbende is op drie achtereenvolgende momenten aan de orde kan komen: bij het
nemen van besluiten (primaire besluitvorming), bij het beslissen op bezwaar en bij het bepalen van
de toegang tot de bestuursrechter.
Uit de jurisprudense blijkt dat het begrip in alle fasen dezelfde inhoud heef. Het is de
bestuursrechter die uiteindelijk bepaalt of iemand belanghebbende is.
Volgens de formule is iemand belanghebbende wanneer hij ‘een voldoende objecsef bepaalbaar,
actueel, eigen en persoonlijk belang heef dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en
dat rechtstreeks geraakt wordt door het bestreden besluit’.
Of iemand belanghebbende is, moet in eerste instanse worden bepaald aan de hand van het eerste
lid van 1:2.
Belang:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is wat het belang is dat iemand tot belanghebbende
bij een besluit maakt. Doorgaans is datgene wat iemand voordeel of nadeel oplevert. Niet vereist is
dat het aangevoerde belang ook specifek in een wetelijk voorschrif genoemd en beschermd wordt
of dat dit belang daadwerkelijk tot verniesging van een bestreden besluit kan leiden.
Eigen belang:
Deze eis brengt mee dat iemand niet ongevraagd voor de belangen van een ander op kan komen of
deze kan beharsgen, tenzij het om een minderjarige gaat. Daarbuiten is het alleen mogelijk dat
iemand voor een ander opkomt indien en voor zover hij door die andere gemachsgd wordt om
namens hem of haar op te treden en zijn of haar belangen te beharsgen. In dat geval is dus geen
spraken van ‘eigen belang’. Algemene of collecseve belangen vormen, omdat ze van iedereen of
bepaalde groep zijn, geen eigen (individuele) maar bovenindividuele belangen. En omdat er dan geen
sprake is van eigen belangen, kan ook niemand op grond van het eerste lid belanghebbende zijn ten
aanzien van algemene of collecseve belangen.
Persoonlijk belang:
Het criterium van een ‘persoonlijk’ belang komt naar voren dat niet ieder ‘eigen’ belang voldoende
onderscheidend is om iemand belanghebbende te maken. Pas als een eigen belang zich onderscheidt