Samenvatting hoofdstuk 5 water in Nederland
5.1 Een land met veel water
Hoog-en laag-Nederland
Nederland kun je verdelen in hoog- en laag-Nederland.
Laag-Nederland ligt lager dan 1 m boven de zeespiegel. Hier speelde de invloed van de zee een grote
rol bij het ontstaan van landschap.
In Hoog-Nederland merk je de invloed van de zee niet. Maar er is wel water. Dat komt doordat er in
Nederland meer neerslag valt dan dat er water door verdamping verdwijnt. Rivieren en Beken
voeren water af van hogere gebieden in Nederland naar zee.
Rivieren
De Rijn en de Maas nemen behalve water ook zand en kleideeltjes mee. In het vlakke Nederland
stromen ze langzamer en neemt de kracht van het water af. Daardoor is er in Nederland
sedimentatie.
Toen er geen dijken in Nederland waren, overstroomde het rivierwater het land regelmatig. In het
overstroomde gebied ging het water nog langzamer stromen. Dicht langs de oevers van de rivier
werd daardoor zand neergelegd. Omdat het meeste zand vlak bij de rivier is neergelegd, zijn de
oevers van de rivier hoger dat in de gebieden verderop. Die hogere ruggen langs de rivier heten
oeverwallen. Verder weg van de rivier, waar het water nog langzamer stroomt, zakten ook de heel
kleine kleideeltjes naar de bodem. Doordat klei opdroogt komen de deeltje dichter bij elkaar te zitten
en zakt het oppervlak nog heel lang in. Dit heet inklinken. De laaggelegen ingeklonken stukken van
het rivier gebied heten komgronden. Als zand wordt neergelegd in rivier kan een rivier verstopt
raken en moet het water een nieuwe weg zoeken naar zee. Zo’n vertakt stuk van een rivier heet een
delta.
, 5.1 een land met veel water
Wind en zee
De duinen voor de Nederlandse kust zijn ontstaan door windgolven en de getijde stroom (eb en
vloed) doordat zand werd verplaatst.
Moerassen en veen
Door de duinen kon het zoute zeewater het gediend achter de duinen niet bereiken. De rivieren
konden dat wel, daardoor ontstonden grote zoetwatermoarassen met waterplanten en riet. Omdat
de plantenresten onder water lagen konden ze niet verrotten. Bovenop de afgestorven plantenresten
groeide steeds weer nieuwe planten. Er ontstond daardoor een dikke laag veen.
5.1 Een land met veel water
Hoog-en laag-Nederland
Nederland kun je verdelen in hoog- en laag-Nederland.
Laag-Nederland ligt lager dan 1 m boven de zeespiegel. Hier speelde de invloed van de zee een grote
rol bij het ontstaan van landschap.
In Hoog-Nederland merk je de invloed van de zee niet. Maar er is wel water. Dat komt doordat er in
Nederland meer neerslag valt dan dat er water door verdamping verdwijnt. Rivieren en Beken
voeren water af van hogere gebieden in Nederland naar zee.
Rivieren
De Rijn en de Maas nemen behalve water ook zand en kleideeltjes mee. In het vlakke Nederland
stromen ze langzamer en neemt de kracht van het water af. Daardoor is er in Nederland
sedimentatie.
Toen er geen dijken in Nederland waren, overstroomde het rivierwater het land regelmatig. In het
overstroomde gebied ging het water nog langzamer stromen. Dicht langs de oevers van de rivier
werd daardoor zand neergelegd. Omdat het meeste zand vlak bij de rivier is neergelegd, zijn de
oevers van de rivier hoger dat in de gebieden verderop. Die hogere ruggen langs de rivier heten
oeverwallen. Verder weg van de rivier, waar het water nog langzamer stroomt, zakten ook de heel
kleine kleideeltjes naar de bodem. Doordat klei opdroogt komen de deeltje dichter bij elkaar te zitten
en zakt het oppervlak nog heel lang in. Dit heet inklinken. De laaggelegen ingeklonken stukken van
het rivier gebied heten komgronden. Als zand wordt neergelegd in rivier kan een rivier verstopt
raken en moet het water een nieuwe weg zoeken naar zee. Zo’n vertakt stuk van een rivier heet een
delta.
, 5.1 een land met veel water
Wind en zee
De duinen voor de Nederlandse kust zijn ontstaan door windgolven en de getijde stroom (eb en
vloed) doordat zand werd verplaatst.
Moerassen en veen
Door de duinen kon het zoute zeewater het gediend achter de duinen niet bereiken. De rivieren
konden dat wel, daardoor ontstonden grote zoetwatermoarassen met waterplanten en riet. Omdat
de plantenresten onder water lagen konden ze niet verrotten. Bovenop de afgestorven plantenresten
groeide steeds weer nieuwe planten. Er ontstond daardoor een dikke laag veen.