Inhoud
Week 1 Algemene inleiding en bronnen van het strafprocesrecht........................................................1
Week 2 Deelnemers aan het strafproces, opsporing, opsporings- en controlebevoegdheden..............5
Week 3 Vervolg opsporings- en vervolgingsfase en dwangmiddelen...................................................18
Week 4 Voorlopige hechtenis...............................................................................................................31
Week 5 De dagvaarding, het beleid van het OM, vervolgingsbeslissingen en beslissingen omtrent in
beslag genomen voorwerpen...............................................................................................................33
Week 6 Bewijs......................................................................................................................................43
Week 7 De tenlastelegging, grondslag- en interpretatekwestes........................................................50
Week 8 Motvering van het vonnis.......................................................................................................58
Week 1 Algemene inleiding en bronnen van het
strafprocesrecht
Begripsbepaling
‘’He strafprocesrecht bepaalt op welke manier en door wie wordt onderzocht of een SF is begaan en
door wie en naar welke maatstaven daarover en over de daaraan te verbinden strafrechtelijke
sanctes wordt beslist.’’
Relatie strapprceesreett – materieel strapreett
Het materiële strafrecht bepaalt welke gedragingen onder welke omstandigheden strafaar zijn. Het
strafprocesrecht is het geheel aan voorschrifen dat aangeef hoe het materiële recht op concrete
feiten dient te worden toegepast. Het strafprocesrecht biedt in feite het model waarin het materiële
recht tot leven komt. Het staat voornamelijk ten dienste van het materiële recht, maar niet
uitsluitend. Het strafprocesrecht voegt opzichzelfstaand namelijk ook een dimensie van
rechtsbescherming toe aan het strafrecht. Aan de ene kant geef het de overheid de bevoegdheid om
een strafvorderlijke handeling uit te voeren, maar aan de andere kan begrenst het de bevoegdheden
van de overheid op allerlei wijzen (bevoegdheidstoedeling en begrenzing).
Brcnnen van tet strapprceesreett
Het Wetboek van Strafvordering geef het kader waarbinnen de justtële afdoening van een
strafzaak moet worden verricht. Dat volgt uit art. 1 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het
strafvorderlijk legaliteitsbeginsel is opgenomen. Volgens art. 1 Sv heef ‘’Strafvordering alleen plaats
op de wijze bij de wet voorzien’’. In beginsel is de wifz daarom de enige bron van strafvordering.
Echter, zijn er in de praktjk ook nog enkele andere bronnen van strafvordering te onderkennen:
- Verdragen (bv. art. 6 EVRM)
- Bijzondere weten, AMvB’s (d.m.v. delegate)
- Richtlijnen, aanwijzingen etc. (verdachte kan beroep doen op regels van Justte)
- Beginselen van een goede procesorde (bijv. proportonaliteitsbeginsel)
- Jurisprudente (wetsartkelen van aangevuld door de Hoge Raad)
De setakel tussen peit en reaetie
,Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
‘’Het strafproces dient ertoe om te onderzoeken of er inderdaad een SF heef plaatsgevonden, en als
dat zo is, of dat ook aanleiding geef tot een reacte. In die zin is het strafproces de schakel tussen feit
en reacte. Het strafprocesrecht regelt die schakel.’’
Daarbij is belangrijk om in te zien dat het strafprocesrecht meer is dan alleen datgene dat zich
afspeelt in de rechtszaal. Het ziet niet alleen op het verloop van het onderzoek ter terechtzitng ook
op het verloop van het vooronderzoek.
Het inquisitcire prceesmcdel versus tet aeeusatcir prceesmcdel
In het accusatoir proces strijden twee gelijkwaardige partjen met elkaar ten overstaan van een
lijdelijke, passieve rechter die zich beperkt tot de rol van scheidsrechter. Hij ziet erop toe dat de
partjen de regels van het proces in acht nemen maar laat de inhoud van het proces aan de partjen
over. De rechter doet pas uitspraak in een accusatoir proces als partjen daarom vragen. In dit
procesmodel ligt de nadruk op het bewijs dat (mondeling) tjdens het onderzoek ter terechtzitng
wordt gepresenteerd.
Wanneer bewijs niet toelaatbaar is in de ogen van de beroepsrechter wordt het ter zitng niet
gepresenteerd aan de lekenrechters(jury). De lekenrechter beslissen uiteindelijk ogv ‘’beyond any
reasonable doubt’’.
In het inquisitoire proces doet justte actef aan de waarheidsvinding. Hier verschijnen vervolger en
beschuldigde niet naast elkaar, maar tegenover elkaar. De beschuldigde is in dit geval geen
gelijkwaardige procespartj maar het object van onderzoek. In dit procesmodel ligt de nadruk vooral
op de schrifelijke uitslag van het vooronderzoek dat is uitgevoerd door de overheid. De rechter
beslist n motveert in het inquisitoire model zelf welke resultaten uit het vooronderzoek hij betrekt
bij zijn beslissing. Omdat de beschuldigde het object van onderzoek is, beschermt de rechter ook
actef de rechten die hij als beschuldigde geniet. De rechter beslist uiteindelijk op basis van de
overtuiging die hij heef nav de feiten.
Het Nederlandse strafproces is sterk inquisitoir getnt. Het kent alleen een beroepsrechter en legt
een zwaar accent op het vooronderzoek, waarbij het dossier geldt als ruggengraat voor de
strafrechtspleging.
Gevaar van dit stelsel is dat het onderzoek terechtzitng vooral gericht is op verifcate van het
vooronderzoek. De rechter heef immers voorafgaande aan de zitng het vooronderzoek al ingezien,
hetgeen kan afdoen aan de onbevangenheid van het onderzoek ter terechtzitng. Sterker nog,
wanneer de rechter aan de hand van het vooronderzoek al enigszins een oordeel heef gevormd, zal
hij geneigd zijn om informate ism dat oordeel anders te beoordelen dan informate ter bevestging
van zijn oordeel. Dit wordt de ‘’confrmaton bias’’ genoemd. Daarnaast zal de rechter geneigd zijn
vast te houden aan zijn oorspronkelijke oordeel, ook al is er bewijs dat in een tegengestelde richtng
wijst. Dit wordt ‘’belief perseverance’’ genoemd.
Dcelstellingen van tet strapprceesreett
De hoofddoelstelling van het strafprocesrecht is verwezenlijking van het materiële recht. Daarnaast
kan er een onderscheid gemaakt worden tussen doelstellingen van:
- Waarheidsvinding, het zoeken naar de materiële waarheid. De materiële waarheid is datgene dat
daadwerkelijk heef plaatsgevonden. Het is de verantwoordelijkheid van de rechter om hiernaar
opzoek te gaan. In het strafproces volstaat de formele waarheid, datgene dat volgens proces partjen
heef plaatsgevonden, dus niet.
- Rechtsbescherming, de bescherming van de burger tegen de almacht van de staat. Tussen
deze twee doelstellingen bestaat een intrinsieke spanning. Niet alle middelen die nutg
zouden zijn voor de waarheidsvinding kunnen namelijk worden ingezet bij het onderzoek
omdat die middelen ter bescherming van de rechten van de burger verboden zijn.
Algemene cntwikkelingen in tet strapprceesreett dccr cnder andere:
,Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
- Technologische vooruitgang, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van nieuwe
opsporingsmiddelen. Bij het gebruik van de nieuwe middelen moet telkens worden
beoordeeld of deze geen onaanvaardbare inbreuk maken op de rechten van de burgers.
- Digitalisering, bijv door het elektronisch dossier van zowel de polite als het OOM samen te
voegen
- Internatonalisering, bijv door de invloed van (Europese) verdragen op het strafprocesrecht.
- Bezuinigingen en druk op de rechtspraak, bijv dmv reorganisate van de rechtspreek.
- Afdoening buiten de rechter om, bijv doordat het OM de zaak afdoet met een schikking.
Alleen de complexe zaken gaan dan naar de rechter
- Modernisering van het Wetboek van Strafvordering, in totaal zijn er 19 wetsvoorstellen
ingediend ter modernisering van het Wetboek van strafprocesrecht.
Reettsmiddelen tegen pcuten van de reetter
Ook rechters maken fouten. In de wet worden daarom rechtsmiddelen geregeld zodat voor
procespartjen de mogelijkheid bestaat om op te komen tegen beslissingen van strafrechters bij een
hogere strafrechter. We kennen een tweetal typen rechtsmiddelen:
- Gewone rechtsmiddelen: deze rechtsmiddelen kun je indienen tegen uitspraken die nog niet
in kracht van gewijsde zijn gegaan. Concreet is dit het hoger beroep en beroep in cassate.
- Buitengewone rechtsmiddelen: deze rechtsmiddelen kunnen ingediend worden tegen
uitspraken die al wel in kracht van gewijsde zijn gegaan. Concreet is dit de herziening en
cassate in het belang der wet door de procureur-generaal.
De rato achter de rechtsmiddelen is herstel van onjuistheden zowel in de feitelijke onjuistheden als
onjuistheden in de toepassing wet of discretonaire bevoegdheden. Het idee hierachter is dat een
nieuwe behandeling en beoordeling van de zaak plaatsvindt en de berechtng dus plaatsvindt in twee
instantes. Ook wordt de rechtseenheid bevorderd doordat de HR zorgt voor een uniforme
toepassing van het recht.
Hcger bercep
Volgens art. 404 SV staat hoger beroep open voor:
- Misdrijven: muv de gevallen waarin de verdachte voor de gehele TLL is vrijgesproken
- Overtredingen, tenzij toepassing 9a Sr of geldboete tot maximum van 50 euro.
- Voor bagatelfeiten staat geen HB open, voor lichte strafzaken geldt een verlofstelsel
In HB wordt de zaak niet langer helemaal opnieuw gedaan, maar is er sprake van een voortbouwend
appel. Dit betekent dat HB alleen gericht is op de bezwaren die procespartjen naar voren brengen
(grieven), maar wel met ambtshalve bevoegdheid voor de rechter om onderzoek te doen maar alle
kwestes die van belang zijn voor de vragen van 348 en 350 Sv. In het kader van modernisering van
het Wetboek van Strafrecht zal het voortbouwend appel versterkt worden en niet alleen gelden voor
de behandeling, maar ook voor de uitspraak. Let wel: het HB richt zich tegen het vonnis in het
geheel; wel beperking mogelijk bij gevoegde zaken (art. 407 lid 2 Sv).
Met de stroomlijning van het Wetboek van Strafvordering is ook de verlofregeling in werking
getreden (art. 410a Sv). Voor zaken omtrent overtredingen en misdrijven met strafedreiging van
minder dan 4 jaar of een geldboete lager dan 500 euro (kan ook tezamen opgeteld) moet door de
voorziter verlof worden verleend toto het instellen van HB. Het beoordelingscriterium voor het
verlenen van verlof is dat alleen HB mogelijk is indien dit ‘’in het belang van een goede
rechtsbedeling’’ (art. 410a lid 2 Sv) is. De beslissing wordt gemaakt aan de hand van de stukken van
het geding en de ingediende schrifuur (art. 410a lid 3 Sv). Wanneer geen verlof is toegekend is ook
geen cassate mogelijk (art. 410a lid 7 Sv). Indien de zaak wel wordt toegelaten tot HB, volgt een
geheel nieuwe berechtng. Dit verlofstelsel staat op gespannen voet met de internatonale
waarborgen die bestaan voor het recht op HB.
Cassatie
Er zijn twee gronden waarop cassate kan worden ingesteld (art. 79 RO):
,Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
- Verzuim van vormen, voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietgheid is
bedreigd of zodanige nietgheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm.
- Schending van recht, muv het recht van vreemde staten.
De HR kan in eassatie versetillende ccrdelen geven:
- Rechtsoordeel: dit is een rechtsklacht die valt te abstraheren van de concrete casus. De HR
zal beoordelen of de lagere rechter het recht juist of onjuist heef toegepast.
- Feitelijk oordeel: dit is een motveringsklacht aangezien de HR zich in beginsel niet uitspreekt
over3 de feiten van een bepaald geval. De HR zal beoordelen of het oordeel van de lagere
rechter begrijpelijk of onbegrijpelijk is op basis van een marginale toets.
- Gemengd oordeel: de vragen omvaten beide bovenstaande klachten
Herziening ten vccrdele
Wanneer een Nederlandse strafrechter een veroordelende eindspraak heef gedaan bestaat de
mogelijkheid tot het aanvragen van herziening ten voordele (art. 457 e.v. Sv). De HR beslist over de
herzieningsaanvraag. Er zijn drie gronden voor een herziening:
- Confict van rechtspraak (art. 457 lid 1 sub a Sv)
- Geslaagde klacht bij het EHRM (art. 457 lid 1 sub b Sv)
- Novum (art. 457 lid 1 sub c Sv)
De behandeling van herziening geschiedt op een openbare zitng (art. 466 e.v. Sv) en in geval van
gegrondverklaring verwijst de HR naar een ander Hof (art. 471 Sr).
Een novum is een nieuwe omstandigheid of bewijs die ervoor kan zorgen dat de rechter tot een
gunstgere uitspraak zou zijn gekomen. De oude formulering van het novumbegrip zag op een
omstandigheid die bij het onderzoek ter terechtzitng niet aan de rechter was gebleken. De nieuwe
formulering van het novumbegrip vereist dat het moet gaan om een gegeven dat bij het onderzoek
ter terechtzitng niet aan de rechter bekend was (art. 457 lid 1 Sv). Het novumbegrip is zodoende
verruimd.
Een verandering omtrent de herziening ten voordele is het doen van nader onderzoek door de
Procureur-Generaal (P-G) om vast te stellen of er sprake is van een novum. Een verzoek aan de P-G
tot het doen van nader onderzoek ter voorbereiding verzoek herziening (art. 461 Sv) kan worden
gedaan indien:
- Feit met strafedreiging van 12 jaar of meer
- Voldoende aanwijzingen dat er mogelijk grond is van een herziening
- (Positef) advies ingewonnen is bij de adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS),
verplichtng tot het vragen van advies bij feiten waarvoor 6 jaar of meer is opgelegd.
Bij toewijzing van de herziening stelt de P-G nader onderzoek in, kan RC inschakelen of zich laten
bijstaan door een onderzoeksteam (art. 463 Sv).
Herziening ten nadele
Per 1 oktober 2013 is het ook mogelijk om te herzien ten nadele van een verdachte. Daarvoor moet
wel voldaan zijn aan de volgende inhoudelijke voorwaarden (art. 482a Sv):
- Onherroepelijke vrijspraken en ontslagen van alle rechtsvervolging (art. 482a lid 1 Sv)
- In het belang van een goede rechtsbedeling én herzieningsgrond (novum en falsa)
- Novum alleen bij opzetelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heef.
- Omgekochte rechter (art. 482a lid 2 Sv)
Opsporingsbevoegdheden kunnen tegen de gewezen verdachte maar beperkt worden toegepast (art.
482c Sv).
,Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
Week 2 Deelnemers aan het strafproces,
opsporing, opsporings- en controlebevoegdheden
Slaettcffer
Volgens art. 51a lid 1 Sv is het slachtofer ‘’degene die rechtstreeks als gevolg van een SF
vermogensschade of ander nadeel heef ondervonden’’. Van oudsher is er in het Nederlandse
inquisitoire strafproces geen zelfstandige plek voor het slachtofer. In principe staan in dat proces
namelijk de verdachte en staat tegenover elkaar. Het slachtofer staat als het ware aan de zijlijn.
Het slachtofer kan niet zelfstandig vervolging instellen, daartoe beslist de Ofcier van Justte.
Vervolging door het slachtofer heef de wetgever niet toegestaan, onder andere om de objectviteit
van het strafproces te waarborgen en het slachtofer te beschermen tjdens het strafproces.
Desondanks heef het slachtofer onder invloed van Europese regelgeving steeds meer rechten
gekregen binnen het strafproces. Tegenwoordig wordt het slachtofer betrokken bij het strafproces
in de hoedanigheden van:
- Aangever
- Getuige
- Spreekgerechtgde
- Benadeelde partj
- Rechtstreeks belanghebbende (art. 12 Sv)
Verdaette
De wet maakt het onderscheid tussen een materiële en formele verdachte. De verdachte in
materiële zin is volgens art. 27 lid 1 Sv ‘’degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een
redelijk vermoeden van schuld aan een SF voortvloeit’’. De verdachte in formele zin is volgens art. 27
lid 2 Sv ‘’degene tegen wie de vervolging is gericht’’.
De wet maakt het onderscheid tussen een materiële en formele verdachte zodat de verdachte nog
steeds aanspraak kan maken op de rechten dei hij als verdachte heef, zelfs als uit het onderzoek
redelijkerwijs blijkt dat hij niet langer als verdachte kan worden aangemerkt. Het criterium van
formele verdachte is nadrukkelijk niet bedoeld om personen zonder redelijk vermoeden van schuld
als verdachte aan te merken. In beginsel dient er namelijk sprake te zijn van een redelijk vermoeden
van schuld om iemand te kunnen vervolgen. Op dit beginsel wordt een uitzondering gemaakt in geval
van een vroegverdachte.
Tot slot kan de verdachte niet verlicht worden mee te werken aan zijn/haar eigen veroordeling. Dit is
het zogenoemde nemo tenetur-beginsel. Ook kan de verdachte, anders dan in het Amerikaanse
stelsel het geval is, niet optreden als getuige in zijn eigen proces.
Raadsman
Elke in verzekering gestelde verdachte wordt een raadsman aangeboden. De raadsman treedt op als
de juridisch adviseur, vertrouwenspersoon en woordvoerder van de verdachte. De raadsman is geen
orgaan van rechtspleging maar dient het belang van zijn client. Hij hoef daarom in beginsel niet mee
te werken aan de waarheidsvinding van de rechter als dit niet in het belang is van de verdachte.
De raadsman heef wel de verantwoordelijkheid om de rechten van de verdachte te beschermen.
Wanneer hij dit niet naar behoren doet, kan dat de verdediging worden tegengeworpen door middel
van een mote van rechtsverwerking. Het bestaan van deze mote moet de verdediging ertoe
aanzeten om in een eerder stadium al bij te dragen aan het proces van waarheidsvinding, hetgeen
gunstg is vanuit proceseconomisch oogpunt. De literatuur is overigens kritsch tegenover de mote
van rechtsverwerking omdat deze traditoneel gezien niet past bij het inquisitoire stelsel en de
nadelen die een verdachte ondervindt in het geval van gebrekkige rechtsbijstand nog groter worden.
Opspcringsambtenaar
,Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
Volgens art. 141 sub b Sv zijn ambtenaren van polite voor zover ze zijn aangesteld voor de uitvoering
van de politetaak belast met opsporing van verdachten. Ook kunnen bijvoorbeeld leden van de
marechaussee of ambtenaren van de belastngdienst bijdragen aan het opsporingsonderzoek. Art. 12
lid 1 van de Politewet stelt de opsporingsambtenaren ondergeschikt aan de Ofcier van Justte.
Onderzoeksambtenaren zijn verplicht daarvan proces-verbaal op te maken ter vaststelling van hun
bevindingen. Dit is vastgelegd in de zogeheten verbaliseringsplicht van art.152 Sv. Het proces-verbaal
wordt opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofe. Dat volgt uit art. 153 Sv.
Offieier van sustitie
Onderdeel van de staande magistratuur is OvJ. Naast zijn functe als opsporingsambtenaar in de zin
van art. 141 Sv, is hij belast met de:
- Opsporing: hij is leidinggevende van het opsporingsonderzoek.
- Vervolging: hij bepaalt of en op welke wijze wordt overgegaan tot vervolging.
- Tenuitvoerlegging: hij legt het vonnis van de rechter ten uitvoering.
Als magistraat neemt de OvJ beslissingen over schuld en legt strafen op, bijvoorbeeld in het geval
van een strafeschikking. Van de OvJ wordt daarom enige onpartjdigheid verwacht en dient ook hij
de rechten van de verdachte te waarborgen. Dit blijkt ook uit de plaats van de OvJ in de rechtszaal,
hij is namelijk gepositoneerd naast de rechter.
RC
De rol van de RC veranderde door de teloorgang en uiteindelijke afschafng van het gerechtelijk
vooronderzoek (GVO). Voor de afschafng was de RC in ernstge zaken actef betrokken bij het
vooronderzoek, onder andere om de rechten van de verdachte te kunnen waarborgen. De
onderzoeksbevoegdheden lagen destjds bij de RC en de OvJ moest, om daarvan gebruik te kunnen
maken, toestemming aan hem vragen.
In de loop der tjd kreeg de OvJ echter steeds meer bevoegdheden toegekend, zonder dat daarvoor
toestemming verleend moest worden door de RC. Als gevolg daarvan werd het gerechtelijk
vooronderzoek nog maar zelden gebruikt en heef de wetgever besloten het GVO af te schafen.
Daarmee is de mogelijkheid tot zelfstandig onderzoek de rechter in beginsel komen te ontvallen. De
Wet versterking posite RC moet dit verlies opvangen. Met de intrede van deze wet is de RC van
onderzoeksrechter naar ‘’rechter in het onderzoek’’ gegaan. Hij is belast met het houden van toezicht
op de opsporing en het waarborgen van de rechten van de verdachte (art. 170 lid 2 Sv). Ook kan de
RC nog enkele onderzoekshandelingen verrichten in het voorbereidend onderzoek (art. 180 Sv). De
coördinerende functe van de RC blijkt verder onder meer ook uit art. 185 Sv, waarin de bevoegdheid
is geregeld voor de RC om een regiezitng te beleggen.
Reetter
Het onderzoek ter zitng wordt geleid door een onpartjdige en onafankelijke beroepsrechter. Hij
heef geen voorkeur voor één van de twee partjen en wordt niet beïnvloed door externe factoren,
zoals bijvoorbeeld de politek. Uit deze twee principes volgen de mogelijkheden tot verschoning en
wraking. De mogelijkheid tot verschoning bestaat wanneer in een zaak factoren aanwezig zijn die de
schijn kunnen wekken dat de rechter vooringenomen is. De verdediging heef ook de mogelijkheid
om de rechter te wraken.
De rechter die heef opgetreden in het voorbereidend onderzoek mag ook optreden in het
hoofdonderzoek. Deze zitngsrechter heef zoals gezegd bij het hoofdonderzoek een acteve rol. De
waarheidsvinding tjdens het onderzoek is zijn verantwoordelijkheid. Het doen van onpartjdig en
onafankelijk onderzoek is soms lastg voor de rechter omdat hij ook degene is die uiteindelijk een
beslissing moet maken. Op deze beslissing mag nadrukkelijk geen voorschot worden genomen tjdens
het onderzoek, dat moet immers onpartjdig en onafankelijk blijven.
Getuige
, Strafprocesrecht, Tilburg University, 2018-2019
Degene die iets over het delict kan verklaren of als zodanig gehoord kan worden, wordt de getuige
genoemd. De procesposite van de getuige is in de wet niet nader genormeerd. De getuige kan
worden opgeroepen in het vooronderzoek of op het onderzoek ter terechtzitng, ondervraging
geschiedt door de rechter(-commissaris). De OvJ zorgt voor het oproepen van getuigen van
overheidswege (art. 163 Sv). De verdediging heef ook de mogelijkheid om een getuige mee te
nemen (art. 260 lid 4 Sv/art. 287 lid 1 Sv).
Deskundige
Vooralsnog bestaat er geen wetelijke omschrijving van het begrip deskundige maar diens
taakopvatng volgt uit art. 51i lid 1 Sv. De deskundige heef de opdracht om informate te
verstrekken of onderzoek te doen op een terrein, waarvan hij specifeke kennis heef. Volgens de HR
kan elke bijzondere kennis die iemand bezit of geacht wordt te beziten als wetenschap worden
aangemerkt, ook al geldt deze niet als wetenschap in de engere zin. Een deskundige kan benoemd
worden door de OvJ, de RC of op initatef van de verdediging.
De wetelijke pasen van tet strapprcees
De wet onderscheidt de volgende fasen in het strafproces:
Het voorbereidend onderzoek, volgens art. 132 Sv wordt onder voorbereidende onderzoek verstaan
het onderzoek hetwelk aan de behandeling van de terechtzitng voorafgaat. Tot het vooronderzoek
kunnen onder andere behoren het verkennend onderzoek (art. 126gg Sv), opsporingsonderzoek (art.
132a Sv), het onderzoek door de RC (art. 181 Sv) en het strafrechtelijk fnancieel onderzoek.
het hoofdonderzoek is volgens art. 261 Sv e.v. de behandeling van de zaak ter zitng. Deze begint
wanneer de bode de zaak heef uitgeroepen.
Een alternatieve indeling van tet strapprcees
- Het strafproces, hieronder wordt volgens art. 132a Sv verstaan ‘’het onderzoek in verband
met strafare feiten onder gezag van de OvJ met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen’’.
- Vervolging: deze fase ging van oudsher in wanneer één van de daden van vervolging werden
ingesteld; de dagvaarding, het vorderen van voorlopige hechtenis, het onderzoek door de RC
en de strafeschikking.
- Doordat het gerechtelijk vooronderzoek is komen te vervallen is het tegenwoordig
onduidelijk wanneer de vervolging begint. Het vaststellen van de vervolging is van belang
omdat de verdachte tjdens zijn vervolging bepaalde rechten heef. Omdat de wetgever het
begrip vervolging momenteel niet duidelijk heef omlijnd, worden deze rechten obv het
EVRM toegekend bij het eerste verhoor van de verdachte.
- Berechtng: hiervan is sprake als obv het onderzoek ter terechtzitng over de grondslag van
de tenlastelegging wordt beraadslaagd en beslist. De rechter doet dit obv de vragen van art.
348 en 350 Sv.
- Tenuitvoerlegging: deze fase wordt traditoneel gezien niet tot het strafproces gerekend. Er is
momenteel een wetsvoorstel aanhang waardoor niet langer de OvJ formeel verantwoordelijk
is voor de tenuitvoerlegging maar de Minister van Veiligheid en Justte.
De cpspcringseategcrieën
Tijdens het opsporingsonderzoek worden gebeurtenissen gereconstrueerd en onderzocht om
strafvorderlijke beslissingen te kunnen nemen. De rechercheliteratuur kent verschillende soorten
opsporingscategorieën:
- Klip-en-klaarzaken: bij aanvang van het onderzoek is al duidelijk wat er heef
plaatsgevonden. De polite heef een verdachte in beeld en onderneemt daarop acte.
- Verifcatezaken: bij aanvang van het onderzoek is enigszins duidelijk wat er heef
plaatsgevonden. De polite dient het verhaal van de aangever nog wel te verifëren.