Leerdoelen
1. Legt uit wat de doelen, opbouw en toets onderdelen zijn voor deze periode, leerarrangement 4: de
samenwerkende verpleegkundige
2. Benoemt de centrale thema’s vanuit de kritische beroepssituatie: de samenwerkende
verpleegkundige
3. Herkent co-morbiditeit/multimorbiditeit en prioriteert hulpvragen van de zorgvrager om de zorg
zo goed mogelijk af te stemmen
4. Herkent de overeenkomsten en verschillen in de intramurale- en extramurale zorg en heeft inzicht
wat dit betekent voor de samenwerking
5. Brengt de samenwerking met andere disciplines binnen de revalidatiezorg in kaart
6. Brengt de samenwerking met andere disciplines binnen de zorg voor zorgvragers in de wijk in kaart
Leerdoel 1: /
Leerdoel 2: Benoemt de centrale thema’s vanuit de kritische beroepssituatie: de samenwerkende
verpleegkundige.
De kritische beroepssituatie is terug te vinden op pagina 3 van de handleiding.
De centrale thema’s zijn:
- Multidisciplinair samenwerken met iedereen die betrokken is.
- Goed communiceren met iedereen die betrokken is.
- Centrale vraag: Hoe kun je de zorg voor de zorgvrager en diens naasten zo goed mogelijk
coördineren en organiseren afgestemd op de situatie en de persoon?
- Je professionele identiteit verwoorden vanuit de visie op mens, gezondheid en verpleegkunde.
- Je probeert het dilemma op te lossen.
- Holistische zorg verlenen. Je kijkt naar de wensen en behoeften van de zorgvrager.
- Je ondersteunt en motiveert de zelfredzaamheid, het zelfmanagement en de eigen regie.
- Je kent het ziektebeeld van de zorgvrager en weet ernaar te handelen.
,Leerdoel 3: Herkent co-morbiditeit/multimorbiditeit en prioriteert hulpvragen van de zorgvrager om
de zorg zo goed mogelijk af te stemmen.
Co-morbiditeit: Co-morbiditeit is het tegelijk voorkomen van 2 of meer aandoeningen of stoornissen
bij dezelfde persoon. Deze 2 of meer aandoeningen zijn aan elkaar gerelateerd. Vaak aan een
chronische ziekte. Bijvoorbeeld depressie bij dementie of ondervoeding bij kanker.
Multimorbiditeit: Multimorbiditeit is het voorkomen van twee of meer – vaak chronische – ziekten bij
dezelfde persoon. Deze 2 of meer aandoeningen zijn niet aan elkaar gerelateerd. Bijvoorbeeld
Parkinson en incontinentie.
KBS
Co-morbiditeit: Een herseninfarct door atriumfibrilleren. Parese in de rechterarm, krachtsverlies in
het rechterbeen en afasie komen ook door het atriumfibrilleren en herseninfarct.
Multimorbiditeit: Artrose en een hernia.
Leerdoel 4: Herkent de overeenkomsten en verschillen in de intramurale- en extramurale zorg en
heeft inzicht wat dit betekent voor de samenwerking.
Intramurale zorg: Intramuraal betekent letterlijk binnen de muren. We spreken van intramurale zorg
van zorg binnen de muren van een zorginstelling die tenminste 24 aaneengesloten uren duurt.
Voorbeelden van intramurale zorg zijn verblijf in een:
- Instelling
- Psychiatrische inrichting
- Residentiële jeugdhulpverlening
- Verpleeghuis
- Verzorgingstehuis
- Ziekenhuis
Extramurale zorg: Extramuraal betekent buiten de muren. Extramurale zorg is zorg die buiten de
muren van een zorginstelling plaatsvindt. Voorbeelden van extramurale zorg zijn:
- Huishoudelijke hulp
- Verzorging
- Verpleging
- Begeleiding
De cliënt kan naar de zorgverlener gaan maar het omgedraaide waarbij de hulpverlener de cliënt in
haar of zijn omgeving bezoekt. komt ook voor.
* Extramurale zorg wordt ook wel eerstelijns zorg genoemd.
Transmurale zorg: Transmurale zorg is een combinatie van intra- en extramurale zorg. Dit betreft
patiënten die gebaad zijn bij een multidisciplinaire zorg en aanpak.
Een voorbeeld van transmurale zorg is de verzorging van iemand met een lichamelijke aandoening.
Zo iemand kan een combinatie van curatieve zorg en verpleging nodig hebben.
* Transmurale zorg wordt ook wel ketenzorg genoemd.
Semimurale zorg: Semimurale zorg vormt een soort van tussenstadium tussen extramurale en
intramurale zorg. Zorgbehoevenden hoeven niet 24 uur per dag opgenomen te worden maar kunnen
ook niet geheel zelfstandig wonen. Voorbeelden hiervan zijn dagverblijven, deeltijdbehandelingen,
gezinsvervangende tehuizen en beschermde woonvormen.
,Ambulante zorg: Bij ambulante zorg gaan zorgverleners voor een behandeling of de begeleiding naar
de patiënt toe. Daardoor is geen opname vereist. Het is de tegenhanger van residentiële zorg,
waarbij de patiënt in een instelling verblijft.
Curatieve zorg: Curatieve zorg is zorg die gericht is op herstel van een patiënt. Een voorbeeld hiervan
zijn de huisarts en de tandarts maar ook ziekenhuiszorg. Een voorbeeld van curatieve zorg is de zorg
die iemand ontvangt die een been gebroken heeft.
Somatische zorg: We spreken van somatische zorg als iemand een somatische, ofwel lichamelijke,
aandoening heeft en hiervoor behandeld moet worden. Een voorbeeld hiervan is iemand met de
ziekte van Parkinson.
Palliatieve zorg: Palliatieve zorg is zorg in de laatste levensfase, gericht op verlichting, als genezing
niet meer mogelijk is. Daarbij hoort het toedienen van medicijnen maar ook bijvoorbeeld ook
psychologische hulp.
Leerdoel 5: Brengt de samenwerking met andere disciplines binnen de revalidatiezorg in kaart.
Voor een revalidatiebehandeling kunt u terecht in een revalidatiecentrum, ziekenhuis of
behandelcentrum. Hier krijgt u uw behandeling van een multidisciplinair team, met bijvoorbeeld een
bewegingstherapeut, een maatschappelijk werker, logopedist en ergotherapeut. Dit team staat
onder leiding van een revalidatiearts. Revalidatieartsen kijken niet alleen naar de aandoening zelf,
maar ook naar alle praktische gevolgen ervan. Wat kan iemand nog wel, wat niet? Hoe zelfstandig is
een patiënt nog, en hoe mobiel?
Leerdoel 6: Brengt de samenwerking met andere disciplines binnen de zorg voor zorgvragers in de
wijk in kaart.
De generalisten in het basisteam bezitten kennis en handelingsbekwaamheid op drie domeinen. Zo is
er een professional met veel kennis over samenlevingsopbouw: bijvoorbeeld een opbouwwerker of
buurtwerker die de wijk kent en initiatieven neemt die de onderlinge betrokkenheid tussen
wijkbewoners bevorderen. Daarnaast neemt ook een professional voor individuele ondersteuning en
hulpverlening deel, zoals een maatschappelijk werker die breed kan kijken en materiële en
psychosociale problemen kan aanpakken. Verder heeft een zorgprofessional zitting in het team:
iemand die vanuit de fysieke zorg gemakkelijk contact heeft met wijkbewoners, hun zorgen en
problemen. Te denken valt aan een ‘klassieke’ wijkverpleegkundige.
Voor alle drie ‘basisprofessionals’ geldt dat zij deels over elkaars grenzen heen kunnen kijken en
handelen. Zo heeft de samenlevingsopbouwprofessional ook oog voor de communicatie in de
gezinssituatie, ziet de maatschappelijk werker ook kansen voor ontmoeting in de buurt en is de
wijkverpleegkundige alert op signalen van problematische schulden. In een team dat langer
samenwerkt zullen de competenties van de verschillende professionals naar elkaar toegroeien,
waarbij de eigen beroep specifieke inkleuring op de achtergrond blijft meespelen.
, Het basisteam met aanvullende disciplines
Afhankelijk van de vraagstukken in de wijk dienen de professionals in het basisteam ook toegerust te
worden met extra kennis en handelingsbekwaamheid op specifieke domeinen. Denk bijvoorbeeld
aan kennis over schuldhulpverlening, arbeidstoeleiding, psychiatrische problematiek, licht
verstandelijke beperkingen, huiselijk geweld, opvoedingsproblematiek enzovoort.