1 b
2 b
3 b
4 c
5 a
6 a
7 d
8 c
9 d
10 a
11 b
12 a
13 c
14 d
15 a
16 c
17 b
18 b
19 a
20 d
21 d
22 b
23 a
24 b
25 a
26 d
27 b
28 c
29 a
30 c
31 b
32 a
33 d
34 a
35 c
36 b
37 d
38 b
39 b
40 d
, Versie 1
1. Welke van de onderstaande beweringen is juist?
a. In de Wet IB 2001 is het mogelijk door een verzoek te doen voor
toepassing van middeling het progressienadeel, dat ontstaat bij ongelijke
inkomensverhoudingen tussen de (huwelijks)partners, via herrekening
van de verschuldigde belasting ongedaan te maken.
b. Het bedrag aan heffingskortingen dat door de (huwelijks)partners
gezamenlijk voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen
wordt verkregen, kan nooit hoger zijn dan het bedrag aan
inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen dat door de partners
gezamenlijk is betaald.
c. Onder een Benthamse progressie wordt verstaan de tariefstructuur
waarin zowel de gemiddelde als de marginale belastingdruk stijgt.
d. Als ondernemingen voor de omzetbelasting een fiscale eenheid vormen,
werkt dit ook door naar de vennootschapsbelasting en worden zij ook
voor de heffing van die belasting als een fiscale eenheid aangemerkt.
2. Welke van de onderstaande beweringen is juist?
a. Vennootschappen onder firma zijn als zodanig belastingplichtig voor de
heffing van de vennootschapsbelasting.
b. Het verhogen van het bijtellingspercentage als voordeel uit eigen woning
heeft geen effect voor huiseigenaren die hun hypotheek geheel hebben
afgelost (en ook geen erfpachtlasten meer hebben).
c. Het is voor een directeur- enig aandeelhouder van ‘zijn’ BV altijd beter de
vrij uitkeerbare winst van zijn BV als dividend uitkering naar privé over te
brengen, omdat het tarief in box 3 lager is dan dat in de
vennootschapsbelasting en hij daardoor belasting bespaart.
d. Bij omzetting van een eenmanszaak in een BV is het mogelijk de
belastingheffing over de daarbij gerealiseerde stakingswinst uit te stellen
door een lijfrente te sluiten. Dit is echter slechts mogelijk door een
overeenkomst te sluiten met een toegelaten (professionele)
verzekeringsmaatschappij.
3. Welke van de onderstaande stellingen is juist?
Stelling 1:
Inflatie heeft door de tabelcorrectiefactor geen invloed op de totale winst van
een onderneming.
Stelling 2:
De arbeidskorting heeft als doel de bevordering van de arbeidsparticipatie.
a. Alleen stelling 1 is juist.
b. Alleen stelling 2 is juist.
c. Beide stellingen zijn juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.
1