Molecuul – organel – cel –
weefsel – orgaan –
organenstelsel – organisme –
populatie –
levensgemeenschap –
ecosystemen – biosfeer
Populatie: groep individuen van
dezelfde soort die in een bepaald
gebied leven en zich onderling
voortplanten.
Levensgemeenschap:
verschillende populaties samen.
Ecosystemen: een min of meer
begrensd gebied met bepaalde
eigenschappen waarbinnen de
abiotische (invloeden uit de levenloze natuur) en biotische factoren (invloeden uit de
levende natuur) een eenheid vormen.
Biosfeer: het geheel aan ecosystemen.
Zelfregulatie: jezelf in stand houden; herstel schade, verdedigen tegen indringers.
Door zelforganisatie zijn biologische eenheden in staat zichzelf te organiseren tot
‘biologische eenheden van een hogere orde’ waardoor er nieuwe structuren ontstaan
met nieuwe emergente eigenschappen.
Autotrofe organismen: zelfvoedend, maken hun eigen voedsel door middel van
fotosynthese.
Heterotrofe organismen: niet-zelfvoedend, verbruiken deze chemische energie die
door autotrofe organismen is vastgelegd.
Evolutie
Genotype: totaal pakket aan genen in een cel van een organisme. Slechts een deel
hiervan is zichtbaar in het uiterlijk van een organisme: fenotype.
Natuurlijke selectie: individuen die het beste zijn aangepast aan de leefomgeving
hebben de grootste kans nakomelingen te krijgen, waardoor in de volgende
generatie hun genen relatief vaker voorkomen.
Reproductieve isolatie: uit een soort ontstaan meerdere soorten doordat populaties
gescheiden raken. Deze kunnen later onderling niet meer voortplanten, omdat ze te
veel van elkaar verschillen.
, Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan,
veranderen en verdwijnen.
Organismen worden ingedeeld in drie domeinen:
Bacteriën
Bacteriën en archaea zijn prokaryoten.
Archaea
Eukaryoten
Eukaryoten worden onderverdeeld in
drie rijken: Protisten: een groep nog niet
Dieren ingedeelde organismen. De
Planten meeste protisten zijn eencellig.
Schimmels
Enkele criteria die bij de indeling in deze domeinen en rijken worden gebruikt, zijn:
celtype, het aantal cellen, de aanwezigheid van een celwand en de voedingswijze.
Een rijk word verder ingedeeld in steeds kleinere taxa (groepen)
-Taxonomie: de tak van de biologie die zich bezighoudt met het ordeningssysteem.
Domein, rijken, stammen, klassen, orden, families, geslachten en soorten
-Systematiek: de tak van de biologie die zich bezighoudt met het indelen van
organismen volgens dit ordeningssysteem.
Bij deze indeling probeert men de evolutionaire verwantschappen zo goed
mogelijk weer te geven door het vergelijken van het DNA van organismen.
Domein Rijken Prokaryoot Eukaryoot Celwand Geen eencellig Meer autotroof heterotroof
celwand cellig
Bacteriën Ter discussie X x x x X
Archaea Ter discussie x X X x
Eukaryote Protisten* X x X X x x X
n
Schimmels X X X X
Planten X X X x
Dieren x X X x
*Protisten vormen geen rijk, maar zijn een groep niet-ingedeelde organismen.
Organische stoffen: afkomstig van organismen/producten van organismen. Deze
stoffen hebben relatief grote, ingewikkelde bouw. (voorbeeld glucose)