Samenvatting DBG 2.1:
Fysiologie
Inleiding + Mond Slokdarm
Gregoire: p.149, hoofdstuk 7 paragraaf 7.2 t/m 7.2.4 (p.157-167), hoofdstuk 13 paragraaf 13.2 en
13.3 (p.321-324)
Hoofdstuk 7
- Inleiding (p.149)
Voedsel en vocht in de juiste samenstelling en in de goede hoeveelheden zijn nodig om al je
organen goed te laten werken. In dit hoofdstuk wordt behandeld welke voedingsstofen het
lichaam nodig heef en hoe deze in het bloed terecht komen. Het verteringsstelsel staat hierbij
centraal. Dit orgaanstelsel bewerkt het voedsel zodanig dat de aanwezige voedingsstofen in het
bloed kunnen worden opgenomen (uitwendig milieu inwendig milieu).
- 7.1: Voedingsstofen (p.149)
Er zijn in totaal 6 verschillende voedingsstofen: koolhydraten, eiwiten, veten, vitaminen,
mineralen en water. Dit wordt gebruikt als brandstof, bouwstof of hulpstof ter ondersteuning
van de stofwisseling
Voedingsstof functie(s) voor eet liceaam
Koolhydraten Brandstof; mindere mate bouwstof
Veten(lipiden) Bouwstof, brandstof, isolate, oplosmiddel vitaminen
Eiwiten Bouwstof, hulpstof; in noodgevallen brandstof
Mineralen (& spoorelementen) Bouwstof en hulpstof
Vitaminen Hulpstof
Water Oplosmiddel, transport, warmtebufer, steunstof, vul middel
- 7.2: Spijsverteringskanaal
Kauwen en slikken, in 5 seconden door de slokdarm, 2 – 6 uur in de maag, 5 – 6 uur opname en
transport door de darmen, verlaten van voedselbrij (feces) uit het lichaam na 12 – 24 uur.
Functes spijsverteringskanaal:
- opname uit uitwendige milieu (eten en drinken)
- oppervlaktevergrotng (door kauwen en mengen)
- chemische bewerking door enzymen
- peristaltek (vervoer door spijsverteringskanaal)
- resorpte (overdracht voedingsstofen aan het bloed)
- ontlastng (uitscheiden onverteerde en onverteerbare stofen)
7.2.1 Algemene bouw van de wand
Spijsverteringskanaal = holle verbinding tussen mondholte en anus, 8 meter lang bedekt met
epitheel omdat het tot het uitwendige milieu behoord.
Van buiten naar binnen:
1. mucosa (slijmvlies) met slijmcellen, kliercellen en afvoercellen. Slijm is nodig ter
bescherming van maagsappen en dien als glijmiddel.
2. Lamina propria mucosae
3. Muscelaris mucosae (dun laagje glad spierweefsel die afgife van klierproducten
stmuleren)
4. Submucosa (dikke laag met bloed- en lymfevaten, lymfestelsel en zenuwen)
5. Muscularis (glas spierweefsel) bestaande uit:
- Kringspieren
- Lengtespieren
, Deze zorgen samen voor (darm)peristaltek
6. Serosa (viscerale blad van het buikvlies en is dun en glad)
7.2.2 Mondholte (= Vacum Oris)
- Palatum = dak van de mond/ gehemelte, bestaat uit
- Palatum durum (harde gedeelte)
- Palatum molle (zacht), eindigd in de:
- Uvula (huig);
- Achterste en voorste gehemeltebogen met daartussen tonsillen
- Wangen en lippen bestaande uit dwarsgestreepte spieren
- Verder: lipteugels, tong (lingua) die vastzit aan de tongriem en tongbeen (os
hyoideum) en hierop zit tongslijmvlies en smaakpapillen met smaaksensoren, gebit,
etc.
- Speekselklieren: produceren speeksel (saliva) ongeveer 1,5 L p/d. Het speeksel is
sereus (waterig) of mukeus (slijmerig) en bevat ptyaline (speekselamylase) en splitst
een deel van de polysachariden in maltose en glucose 3 verschillende klieren:
1. glandula parotdea, oorspeekselklier
2. glandula submandibularis, onderkaakspeekselklier
3. glandula sublingualis, ondertongspeekselklieren
7.2.3 Keelholte (Pharynx)
= buisvormige ruimte vanaf de neusholte tot aan het strotenhoofd en de slokdarm en is de
doorgang voor zowel voedsel als lucht. Bestaat uit 3 delen:
1. Nasopharynx: neus-keelholte
2. Oropharynx: mond-keelholte
3. Laryngopharynx: strotenhoofd-keelholte
7.2.4 Slokdarm (Oesophagus)
= gespierde buis van ongeveer 30 cm lang, verbind de keelholte met de maag. De muscularis
is goed ontwikkeld voor de peristaltek. De slokdarm bevat 3 vernauwingen, de bovenste
(faryngo-oesofageale) en onderste (gastro-oesofegeale) dienen als sluitspieren (sfincter).
Hoofdstuk 13
- Hoofdstuk 13.2: Reukzintuig
- reukepitheel (reukslijmvlies): 2,5 cm2, opgebouwt uit steuncellen, slijmcelen en ongeveer 100
miljoen reuksensoren.
Reuksensoren zijn dunne langgerekte cellen en bestaan uit:
1. Cilia in de neusholte omgeven door slijm
2. Fila olfactoria ziten aan de andere kant van de reuksensoren. Deze komen in bundels van 20
bij elkaar en lopen door het etmoïd naar de bulbus olfactorius (= verdikte begint van de N.
olfactorius/reukzenuw)
De reukzenuw/bulbus olfactorius heef verbindingen met de hersenstam, het limbische systeem,
de hypothalamus en de hersenschors.
Ruiken gebeurt doordat je opgelost stofen in het neusslijmvlies d.m.v. difusie waarneemt met je
reuksensoren. Er zijn 7 primaire geuren waar te nemen.
- Hoofdstuk 13.3: Smaakzintuig
In de gehele mond zijn smaaksensoren te vinden, het grootste deel is verzameld in ongeveer
10.000 smaakknoppen met 20-50 (chemo)sensoren per knop. Hiervan is het merendeel
verzameld in smaakpapillen (papillae lingualis). Er zijn 3 typen smaakpapillen die veel
voorkomen:
Papillae filiformes (draadvormig) vooral in de tongranden
Papilae fungiformes (paddenstoelvormig) verspreid over voorste 1/3 van de tong
Papilae vallatae (omwalde papillen) in V-vorm achterop de tong
5 primaire smaken te proeven: zout, zuur, zoet, biter en umami
Fysiologie
Inleiding + Mond Slokdarm
Gregoire: p.149, hoofdstuk 7 paragraaf 7.2 t/m 7.2.4 (p.157-167), hoofdstuk 13 paragraaf 13.2 en
13.3 (p.321-324)
Hoofdstuk 7
- Inleiding (p.149)
Voedsel en vocht in de juiste samenstelling en in de goede hoeveelheden zijn nodig om al je
organen goed te laten werken. In dit hoofdstuk wordt behandeld welke voedingsstofen het
lichaam nodig heef en hoe deze in het bloed terecht komen. Het verteringsstelsel staat hierbij
centraal. Dit orgaanstelsel bewerkt het voedsel zodanig dat de aanwezige voedingsstofen in het
bloed kunnen worden opgenomen (uitwendig milieu inwendig milieu).
- 7.1: Voedingsstofen (p.149)
Er zijn in totaal 6 verschillende voedingsstofen: koolhydraten, eiwiten, veten, vitaminen,
mineralen en water. Dit wordt gebruikt als brandstof, bouwstof of hulpstof ter ondersteuning
van de stofwisseling
Voedingsstof functie(s) voor eet liceaam
Koolhydraten Brandstof; mindere mate bouwstof
Veten(lipiden) Bouwstof, brandstof, isolate, oplosmiddel vitaminen
Eiwiten Bouwstof, hulpstof; in noodgevallen brandstof
Mineralen (& spoorelementen) Bouwstof en hulpstof
Vitaminen Hulpstof
Water Oplosmiddel, transport, warmtebufer, steunstof, vul middel
- 7.2: Spijsverteringskanaal
Kauwen en slikken, in 5 seconden door de slokdarm, 2 – 6 uur in de maag, 5 – 6 uur opname en
transport door de darmen, verlaten van voedselbrij (feces) uit het lichaam na 12 – 24 uur.
Functes spijsverteringskanaal:
- opname uit uitwendige milieu (eten en drinken)
- oppervlaktevergrotng (door kauwen en mengen)
- chemische bewerking door enzymen
- peristaltek (vervoer door spijsverteringskanaal)
- resorpte (overdracht voedingsstofen aan het bloed)
- ontlastng (uitscheiden onverteerde en onverteerbare stofen)
7.2.1 Algemene bouw van de wand
Spijsverteringskanaal = holle verbinding tussen mondholte en anus, 8 meter lang bedekt met
epitheel omdat het tot het uitwendige milieu behoord.
Van buiten naar binnen:
1. mucosa (slijmvlies) met slijmcellen, kliercellen en afvoercellen. Slijm is nodig ter
bescherming van maagsappen en dien als glijmiddel.
2. Lamina propria mucosae
3. Muscelaris mucosae (dun laagje glad spierweefsel die afgife van klierproducten
stmuleren)
4. Submucosa (dikke laag met bloed- en lymfevaten, lymfestelsel en zenuwen)
5. Muscularis (glas spierweefsel) bestaande uit:
- Kringspieren
- Lengtespieren
, Deze zorgen samen voor (darm)peristaltek
6. Serosa (viscerale blad van het buikvlies en is dun en glad)
7.2.2 Mondholte (= Vacum Oris)
- Palatum = dak van de mond/ gehemelte, bestaat uit
- Palatum durum (harde gedeelte)
- Palatum molle (zacht), eindigd in de:
- Uvula (huig);
- Achterste en voorste gehemeltebogen met daartussen tonsillen
- Wangen en lippen bestaande uit dwarsgestreepte spieren
- Verder: lipteugels, tong (lingua) die vastzit aan de tongriem en tongbeen (os
hyoideum) en hierop zit tongslijmvlies en smaakpapillen met smaaksensoren, gebit,
etc.
- Speekselklieren: produceren speeksel (saliva) ongeveer 1,5 L p/d. Het speeksel is
sereus (waterig) of mukeus (slijmerig) en bevat ptyaline (speekselamylase) en splitst
een deel van de polysachariden in maltose en glucose 3 verschillende klieren:
1. glandula parotdea, oorspeekselklier
2. glandula submandibularis, onderkaakspeekselklier
3. glandula sublingualis, ondertongspeekselklieren
7.2.3 Keelholte (Pharynx)
= buisvormige ruimte vanaf de neusholte tot aan het strotenhoofd en de slokdarm en is de
doorgang voor zowel voedsel als lucht. Bestaat uit 3 delen:
1. Nasopharynx: neus-keelholte
2. Oropharynx: mond-keelholte
3. Laryngopharynx: strotenhoofd-keelholte
7.2.4 Slokdarm (Oesophagus)
= gespierde buis van ongeveer 30 cm lang, verbind de keelholte met de maag. De muscularis
is goed ontwikkeld voor de peristaltek. De slokdarm bevat 3 vernauwingen, de bovenste
(faryngo-oesofageale) en onderste (gastro-oesofegeale) dienen als sluitspieren (sfincter).
Hoofdstuk 13
- Hoofdstuk 13.2: Reukzintuig
- reukepitheel (reukslijmvlies): 2,5 cm2, opgebouwt uit steuncellen, slijmcelen en ongeveer 100
miljoen reuksensoren.
Reuksensoren zijn dunne langgerekte cellen en bestaan uit:
1. Cilia in de neusholte omgeven door slijm
2. Fila olfactoria ziten aan de andere kant van de reuksensoren. Deze komen in bundels van 20
bij elkaar en lopen door het etmoïd naar de bulbus olfactorius (= verdikte begint van de N.
olfactorius/reukzenuw)
De reukzenuw/bulbus olfactorius heef verbindingen met de hersenstam, het limbische systeem,
de hypothalamus en de hersenschors.
Ruiken gebeurt doordat je opgelost stofen in het neusslijmvlies d.m.v. difusie waarneemt met je
reuksensoren. Er zijn 7 primaire geuren waar te nemen.
- Hoofdstuk 13.3: Smaakzintuig
In de gehele mond zijn smaaksensoren te vinden, het grootste deel is verzameld in ongeveer
10.000 smaakknoppen met 20-50 (chemo)sensoren per knop. Hiervan is het merendeel
verzameld in smaakpapillen (papillae lingualis). Er zijn 3 typen smaakpapillen die veel
voorkomen:
Papillae filiformes (draadvormig) vooral in de tongranden
Papilae fungiformes (paddenstoelvormig) verspreid over voorste 1/3 van de tong
Papilae vallatae (omwalde papillen) in V-vorm achterop de tong
5 primaire smaken te proeven: zout, zuur, zoet, biter en umami