Samenvatting Celbiologie
Marcus Jolles
2-10-18
Membranen
- Functies
o Afscheiding cel-omgeving
o Afscheiding organellen
o Generen/controleren potentialen
o Generen/controleren gradiënten
o Matrix voor eiwitten
- Benodigde eigenschappen
o Afsluitend
o Selectief permeabel (dynamisch)
o Functioneren in een waterige omgeving
o Rekbaar/vervormbaar
o Dierlijke cel: plasmamembraan meestal buitenkant cel
o Planten, schimmels en bacteriën hebben nog een celwand
- Detergentia kunnen membranen oplossen, hun eigenschappen lijken erg op die van lipiden
,Een membraan is zelfhelend, energetisch het meest voordelig is een structuur waar het apolaire deel
van de lipiden helemaal niet in aanraking komt met het water (een bol)
Lipiden structuur, kop verschilt in polariteit en lading
Fatty acid tails, variaties in lengte (hoeveel C atomen, altijd even aantal, meest voorkomende is 18 in
fosfolipiden) en de maat van verzadiging
De meeste zoogdiercelmembranen bestaan voornamelijk uit deze fosfolipiden + cholesterol
- Verzadigde vetzuren zijn meer geordend in de membraan, en leiden tot een minder vloeibare
membraan, dus meer rigide, hoger smeltpunt
- Langere vetzuurketens hebben meer interactie met elkaar, en leiden tot een minder
vloeibare membraan
- Onverzadigde vetzuren hebben meer ‘kinks’, daardoor is er meer laterale diffusie, en kunnen
meer kleine (ongeladen) moleculen doordringen in de dubbele laag (vloeibaarder
membraan)
- Cholesterol lost op in membranen, en zorgt voor een grotere lokale rigiditeit, en een
verminderde permeabiliteit (doordat de vloeibaarheid van het membraan wordt behouden)
, - Integrale versus perifere membraaneiwitten: Integrale membraan eiwitten zijn niet los te
maken zonder de lipid bilayer van de membraan zelf aan te tasten
- Verschillende manieren van membraanassociatie:
o Transmembraan
▪ α-helix (1 en 2)
▪ β-barrel (3)
o Perifeer (de rest)
▪ eiwit-eiwit interactie
▪ zwavelbruggen
o Extracellulair lipide anker
▪ GPI anker (6)
o Intracellulair lipide anker
▪ Prenylering
- Transmembraan: α-helices rijk aan apolaire aminozuren kunnen transmembraan helices zijn
- β-barrel transmembraan eiwitten hebben een hydrofiel interieur. Eventuele selectiviteit
wordt veroorzaakt door polypeptide lussen die de ingang kunnen versperren
3-10-18
College 2
3 soorten transmembraan gradiënten
- chemisch (Glucose)
- elektrisch (+/-)
- chemisch en elektrisch samen (Na+)
, Membraantransporteiwitten
- Channel
o Selectief
o Moet je zien als een draaideur, alles wat door die deur komt (met de juiste vorm
enz), kan er doorheen gaan. De deur kan oneindig snel draaien, geen maximum
snelheid
- Carrier
o Selectief
o Moet je zien als een klapdeur met een portier, waardoor je specifiek herkent moet
worden, dan gaat de deur open en vervolgens weer dicht en kan de volgende
worden herkent, dit heeft dus een bepaalde maximum snelheid
- Bij veel stoffen werkt een channel sneller omdat die geen maximum snelheid heeft
- Bij weinig stoffen werkt een carrier sneller, omdat die makkelijker te vinden is
- Passief transport = gefaciliteerde diffusie
- Carrier vergroot de ‘oplosbaarheid’ van het molecuul in de membraan.
Marcus Jolles
2-10-18
Membranen
- Functies
o Afscheiding cel-omgeving
o Afscheiding organellen
o Generen/controleren potentialen
o Generen/controleren gradiënten
o Matrix voor eiwitten
- Benodigde eigenschappen
o Afsluitend
o Selectief permeabel (dynamisch)
o Functioneren in een waterige omgeving
o Rekbaar/vervormbaar
o Dierlijke cel: plasmamembraan meestal buitenkant cel
o Planten, schimmels en bacteriën hebben nog een celwand
- Detergentia kunnen membranen oplossen, hun eigenschappen lijken erg op die van lipiden
,Een membraan is zelfhelend, energetisch het meest voordelig is een structuur waar het apolaire deel
van de lipiden helemaal niet in aanraking komt met het water (een bol)
Lipiden structuur, kop verschilt in polariteit en lading
Fatty acid tails, variaties in lengte (hoeveel C atomen, altijd even aantal, meest voorkomende is 18 in
fosfolipiden) en de maat van verzadiging
De meeste zoogdiercelmembranen bestaan voornamelijk uit deze fosfolipiden + cholesterol
- Verzadigde vetzuren zijn meer geordend in de membraan, en leiden tot een minder vloeibare
membraan, dus meer rigide, hoger smeltpunt
- Langere vetzuurketens hebben meer interactie met elkaar, en leiden tot een minder
vloeibare membraan
- Onverzadigde vetzuren hebben meer ‘kinks’, daardoor is er meer laterale diffusie, en kunnen
meer kleine (ongeladen) moleculen doordringen in de dubbele laag (vloeibaarder
membraan)
- Cholesterol lost op in membranen, en zorgt voor een grotere lokale rigiditeit, en een
verminderde permeabiliteit (doordat de vloeibaarheid van het membraan wordt behouden)
, - Integrale versus perifere membraaneiwitten: Integrale membraan eiwitten zijn niet los te
maken zonder de lipid bilayer van de membraan zelf aan te tasten
- Verschillende manieren van membraanassociatie:
o Transmembraan
▪ α-helix (1 en 2)
▪ β-barrel (3)
o Perifeer (de rest)
▪ eiwit-eiwit interactie
▪ zwavelbruggen
o Extracellulair lipide anker
▪ GPI anker (6)
o Intracellulair lipide anker
▪ Prenylering
- Transmembraan: α-helices rijk aan apolaire aminozuren kunnen transmembraan helices zijn
- β-barrel transmembraan eiwitten hebben een hydrofiel interieur. Eventuele selectiviteit
wordt veroorzaakt door polypeptide lussen die de ingang kunnen versperren
3-10-18
College 2
3 soorten transmembraan gradiënten
- chemisch (Glucose)
- elektrisch (+/-)
- chemisch en elektrisch samen (Na+)
, Membraantransporteiwitten
- Channel
o Selectief
o Moet je zien als een draaideur, alles wat door die deur komt (met de juiste vorm
enz), kan er doorheen gaan. De deur kan oneindig snel draaien, geen maximum
snelheid
- Carrier
o Selectief
o Moet je zien als een klapdeur met een portier, waardoor je specifiek herkent moet
worden, dan gaat de deur open en vervolgens weer dicht en kan de volgende
worden herkent, dit heeft dus een bepaalde maximum snelheid
- Bij veel stoffen werkt een channel sneller omdat die geen maximum snelheid heeft
- Bij weinig stoffen werkt een carrier sneller, omdat die makkelijker te vinden is
- Passief transport = gefaciliteerde diffusie
- Carrier vergroot de ‘oplosbaarheid’ van het molecuul in de membraan.