Eindtermen Kwestie 1
5. De kandidaten kunnen de opvattingen van Descartes, Sheets-Johnstone,
Plessner, De Beauvoir en Fanon over de vraag naar de mens, en de
verschillende manieren waarop het lichaam daarbij een rol speelt uitleggen,
vergelijken, toepassen en evalueren. Daarbij kunnen zij de volgende
standpunten betrekken:
• mensen zijn een denkend bewustzijn met een mechanisch lichaam
(Descartes);
• mensen zijn een reflecterend, bewegend lichaam (Sheets-Johnstone);
• mensen staan lichamelijk in verhouding tot zichzelf (Plessner);
• mensen staan lichamelijk in verhouding tot anderen (De Beauvoir, Fanon).
Descartes:
mensen zijn een denkend bewustzijn met een mechanisch lichaam.
Mechanisch wereldbeeld: natuur kan verklaard en voorspeld worden aan de
hand van wetenschap.
Descartes was een substantie dualist: er zijn 2 substanties, het immateriële
denken, geest (res cogitans) en het mechanische lichaam (res extensa).
Volgens Descartes is allereerst een res cogitans die in een mechanisch
mensenlichaam zit.
Interactieprobleem: lichaam en denken werken wel op elkaar in. We kunnen niet
echt de geest en het lichaam van elkaar scheiden.
Introspectie : jezelf leren kennen door het 1° persoons perspectief.
Fenomenologie: filosofische stroming die draait om het idee dat we ons eigen
bestaan en de wereld om ons heen op een andere manier ervaren dan de
wetenschap doet. 1° persoons perspectief tegenover het wetenschappelijke 3°
persoons perspectief.
Voorbeeld: je bent verliefd: de wetenschap kan verklaren waarom je verliefd bent
(Hormonen etc.) maar het voelt als iets heel anders. De wetenschappelijke
verklaring gaat voorbij aan de subjectieve ervaring van verliefd zijn.
, Fenomenologen zien in dat wij de wereld nooit volledig objectief waarnemen. Onze
waarneming is altijd gebaseerd op gevoelens.
Intentionaliteit: we zijn altijd ergens op gericht. Je intentionaliteit bepaalt welke
signalen je van de wereld ontvangt. Je intentie geeft betekenis.
Voorbeeld: gele auto-effect: je koopt een nieuwe gele auto en opeens zie je overal
gele auto's rijden ; het is niet alsof die auto's er eerst nog niet waren maar het valt
nu ineens meer op door de ervaring die je hebt meegemaakt. Je aandacht is
gericht naar gele auto's.
Leefwereld: de wereld, hoe jij het ervaart en niet hoe de wetenschap dit vorm
geeft. Door ervaringen krijgt de wereld betekenis. De wereld is subjectief.
Motorische intentionaliteit: we zijn gericht op de wereld, maar alleen via en door
ons lichaam.
Lichaam zijn (onmiddellijke ervaring) vs lichaam hebben (als een ding buiten je)
Lichaamsschema: je weet zonder dat je erover na hoeft te denken waar je
lichaamsdelen zich bevinden.
6. De kandidaten kunnen uitleggen en evalueren dat mensen volgens
Sheets-Johnstone een reflecterend, bewegend lichaam zijn. Daarbij kunnen
zij betrekken:
• een uitleg van Sheets-Johnstones fenomenologische benadering van dans
en de pre-reflectieve gewaarwording van de ruimtelijkheid en bewegingen van
het lichaam;
• de begrippen ‘pre-reflectief’ en ‘lichaamsschema’;
• een uitleg met tekstfragment 1 van Sheets-Johnstones argument dat de
gewaarwording van het bewegende lichaam in de ruimte voorafgaat aan
bewuste reflectie op onszelf;
• een uitleg met tekstfragment 1 van Sheets-Johnstones argument dat
fenomenologie een perspectief biedt op de bestaanservaring.
Een uitleg van Sheets-Johnstones fenomenologische benadering van dans en de
pre-reflectieve gewaarwording van de ruimtelijkheid en bewegingen van het
lichaam;