mensen huidskleuren zien.
De blik van een ander hoeft niet van een individu te komen, het komt door de
geschiedenis en het geheel aan expressies die historisch zo zijn gegroeid.
Culturele expressies zijn de blik van de ander.
De witte blik heeft vooroordelen over Fanon/zwarte mensen (hij noemt geestelijke
achterstand, kannibalisme etc.)
Y a bon banania: reclameposter uit frankrijk van senegalese soldaat die slecht
Frans spreekt → zwarte man wordt als object gezien.
Fanons bestaanservaring is gevormd door de blik van de ander die verstopt zit
tussen alle expressies.
Eindtermen Kwestie 2
9. De kandidaten kunnen de opvattingen van Lakoff & Johnson, Vroon &
Draaisma, Swaab, Dreyfus, Clark & Chalmers en O’Regan, Myin & Noë
(hierna; Noë)) over de vraag hoe wetenschap en techniek het mensbeeld
veranderen uitleggen, vergelijken, toepassen en evalueren. Daarbij kunnen zij
de volgende standpunten betrekken:
• dat taal uitdrukt uit hoe we met ons lichaam in de wereld staan (Lakoff &
Johnson);
• dat mensbeelden historisch contingent zijn (Vroon & Draaisma);
• dat mensen hun brein zijn en het brein als een computer is (functionalistisch
cognitivisme, Swaab) en de evaluatie hiervan (Dreyfus, connectionisme);
• dat mensen niet alleen met hun brein denken, maar ook met hun lichaam in
een omgeving (4Ecognitivisme, Clark & Chalmers en Noë).
Dat taal uitdrukt uit hoe we met ons lichaam in de wereld staan (Lakoff & Johnson);
Oriënterende metaforen, drukken richting uit.
Ontologische metaforen vergelijken de geest met een ding (machine, breekbaar
voorwerp).
, Dat mensbeelden historisch contingent zijn (Vroon & Draaisma);
• Metaforen bepalen ons mensbeeld, maar metaforen zijn afgeleid uit wetenschap
en techniek.
• Nieuwe ontwikkelingen in wetenschap en techniek leiden tot nieuwe metaforen
om de mens te beschrijven.
• Mensbeelden zijn dus historisch contingent en niet universeel.
Dat mensen hun brein zijn en het brein als een computer is (functionalistisch
cognitivisme, Swaab) en de evaluatie hiervan (Dreyfus, connectionisme);
• Functionalistisch cognitivisme;
• Onze hersenen werken als een computer; nadenken is symboolmanipulatie van
input en output.
• Computers kunnen het menselijk denken nabootsen; product simulatie
(schaakcomputers) en processimulatie (neurale netwerken).
• Menselijk denken vereist menselijke hardware"; het menselijk lichaam
• Bvb Sheets-Johnstone en Plessner; menselijk lichaam is de
mogelijkheidsvoorwaarde voor de menselijke ervaring.
Dat mensen niet alleen met hun brein denken, maar ook met hun lichaam in een
omgeving (4Ecognitivisme, Clark & Chalmers en Noë).
• Embodied, embedded, extended, enactive.
• Ons denken zit niet in ons hoofd, maar in ons hele lichaam.
• We maken gebruik van ons lichaam en van externe hulpmiddelen om te denken;
ons denken zit ook in de omgeving.
10. De kandidaten kunnen uitleggen en evalueren dat volgens Lakoff & Johnson
en Vroon & Draaisma metaforen en ervaringen elkaar wederzijds
beïnvloeden. Daarbij kunnen zij betrekken:
• de begrippen ‘oriënterende metaforen’, ‘ontologische metaforen’ en
‘historische contingentie’;
• een uitleg met tekstfragment 4 van Lakoff & Johnsons argument dat taal
uitdrukt hoe we met ons lichaam in de wereld staan;
• een uitleg van het argument dat metaforen uit wetenschap en technologie
beïnvloeden hoe we onszelf als mens ervaren.