Samenvatting hoofdstuk 16 - Voor de geboorte
Boek: Anatomie en fysiologie
Blz.: 422 t/m 448
Een eicel en een zaadcel versmelten tot zygote.
De embryonale fase duurt vanaf de eerste tot en met de achtste
zwangerschapsweek. In de fase nestelt het embryo zich in het endometrium, en
ontwikkelt zich de placenta, de navelstreng en alle functiesystemen.
- Deze fase eindigt wanneer alle orgaanstelsels zijn aangelegd.
De foetale fase kenmerkt zich door groei en verdere ontwikkeling van de
orgaanstelsels.
16.1 - Overerving van eigenschappen
De tak van wetenschap die de overerving van eigenschappen onderzoekt is de
genetica (erfelijkheidsleer).
16.1.1 - Karyogram
Elke set van 23 chromosomen in de haploïde geslachtscel bevat de totale erfelijke
code van een mens en wordt het humane genoom genoemd. In totaal bestaat het
humane genoom uit drie miljard basenparen van het DNA.
De plaats waar het gen in het chromosoom is te vinden heet de locus.
In een karyogram zijn de homologe chromosomenparen naar vorm en grootte
gerangschikt. De paren hebben een vaste nummering.
Om een karyogram te kunnen maken, worden chromosomen uit een delende cel
(meestal een witte bloedcel) geïsoleerd en gekleurd. Door de verkleuring krijgt elk
chromosoom een karakteristiek bandenpatroon dat doet denken aan een
streepjescode.
Ook de centromeer zit bij elke chromosoom op een kenmerkende plaats.
23ste paar = geslachtschromosomen = XX of XY
16.1.2 - Allelen
Allelen = verschillende variaties van genen
Homozygoot = twee dezelfde allelen voor een eigenschap (XX)
Heterozygoot = twee verschillende allelen voor een eigenschap (XY)
Expressie = onderdruk allelen
Dominant = het overheersende allelen
Fenotype = is de verschijningsvorm van het individue, het geheel van het
waarnemen.
Genotype = wordt het geheel van erfelijke eigenschappen op de chromosomen
bedoeld.
Fenotype = genotype + omgevingsfactoren
16.1.3 - Kansberekening bij overerving
Bloedgroepen
Een persoon met bloedgroep AB zowel het allel A als het allel B heeft.
De allelen A en B dominant zijn over het allel O
16.1.4 - X-chromosomale overerving
Kleurenblindheid is 50% bij een zoon
Bij dochter kan het alleen bij overerving voorkomen. (Dochter is dan wel draagster)
Boek: Anatomie en fysiologie
Blz.: 422 t/m 448
Een eicel en een zaadcel versmelten tot zygote.
De embryonale fase duurt vanaf de eerste tot en met de achtste
zwangerschapsweek. In de fase nestelt het embryo zich in het endometrium, en
ontwikkelt zich de placenta, de navelstreng en alle functiesystemen.
- Deze fase eindigt wanneer alle orgaanstelsels zijn aangelegd.
De foetale fase kenmerkt zich door groei en verdere ontwikkeling van de
orgaanstelsels.
16.1 - Overerving van eigenschappen
De tak van wetenschap die de overerving van eigenschappen onderzoekt is de
genetica (erfelijkheidsleer).
16.1.1 - Karyogram
Elke set van 23 chromosomen in de haploïde geslachtscel bevat de totale erfelijke
code van een mens en wordt het humane genoom genoemd. In totaal bestaat het
humane genoom uit drie miljard basenparen van het DNA.
De plaats waar het gen in het chromosoom is te vinden heet de locus.
In een karyogram zijn de homologe chromosomenparen naar vorm en grootte
gerangschikt. De paren hebben een vaste nummering.
Om een karyogram te kunnen maken, worden chromosomen uit een delende cel
(meestal een witte bloedcel) geïsoleerd en gekleurd. Door de verkleuring krijgt elk
chromosoom een karakteristiek bandenpatroon dat doet denken aan een
streepjescode.
Ook de centromeer zit bij elke chromosoom op een kenmerkende plaats.
23ste paar = geslachtschromosomen = XX of XY
16.1.2 - Allelen
Allelen = verschillende variaties van genen
Homozygoot = twee dezelfde allelen voor een eigenschap (XX)
Heterozygoot = twee verschillende allelen voor een eigenschap (XY)
Expressie = onderdruk allelen
Dominant = het overheersende allelen
Fenotype = is de verschijningsvorm van het individue, het geheel van het
waarnemen.
Genotype = wordt het geheel van erfelijke eigenschappen op de chromosomen
bedoeld.
Fenotype = genotype + omgevingsfactoren
16.1.3 - Kansberekening bij overerving
Bloedgroepen
Een persoon met bloedgroep AB zowel het allel A als het allel B heeft.
De allelen A en B dominant zijn over het allel O
16.1.4 - X-chromosomale overerving
Kleurenblindheid is 50% bij een zoon
Bij dochter kan het alleen bij overerving voorkomen. (Dochter is dan wel draagster)