Gedrag: alles wat een organisme doet of nalaat onder invloed van prikkels/signalen
Prikkels:
1. Alles wat je kan waarnemen
2. Leiden soms tot reactie/respons
3. Uitwendige prikkels: prikkels die komen uit je omgeving die je kan opvangen met
zintuigen; iets dat je ziet, hoort etc.
4. Inwendige prikkels: prikkels die uit het interne milieu komen; honger, hormonen,
etc.
Sleutelprikkel: een prikkel die leidt tot een respons.
Supernormale prikkel: overdreven sleutelprikkel
Je reageert niet op alle prikkels die je binnen krijgt. Er is een drempelwaarde:
1. Langdurige, lage prikkelactiviteit; je hebt een langdurige kriebel op je been. Eerst is
het niet erg, maar later ga je krabben.
2. Kortdurende, hoge prikkelactiviteit; Cazpar geeft je een linkerhoek met zijn rechter
knie vanaf de rechterkant. (vind ik wel knap hoe hij een linker hoek heeft gegeven
aan de rechter kant)
Opbouw gedrag:
1. Gedragselementen: aparte handelingen van gedrag; eten pakken/in mond
stoppen/zien/ruiken, kauwen.
2. Gedragsketen: handelingen in een bepaalde volgorde; eten zien, eten ruiken, eten
pakken, eten in mond stoppen, kauwen (precies deze volgorde).
3. Gedragssysteem: samenhangende gedragsketens; eten verzamelen, eten opeten
4. Gedrag: eetgedrag
Gedrag beschrijven
1. Blijf objectief. Houd je aan feiten, niet aan meningen
2. Ethogram: Lijst met objectieve en nauwkeurige beschrijvingen van de
gedragselementen en de afkortingen daarvan.
3. Protocol: gedragselementen die in je observatie voorkomen.
Onderzoek doen
1. Blijf objectief.
2. Begrens de onderzoeksvraag.
3. Max 1 variabele, verder alle omstandigheden gelijk.
4. Baseer de conclusie (antwoord op onderzoeksvraag) altijd op je eigen resultaten.
Leervormen
1. Inprenting: leren in gevoelige periode (jong)
2. Associatief leren: prikkels aan elkaar leren koppelen
3. Imitatiegedrag: iets/iemand nadoen
4. Oefenen (trial & error): blijven proberen totdat het lukt.
5. Gewenning: een prikkel zo lang hebben dat je hem niet meer actief opneemt.