Organisatieniveaus:
Molecuul -> Organel -> Cel -> Weefsel -> Orgaan -> Orgaanstelsel -> Organisme ->
Populatie -> Levensgemeenschap -> Ecosysteem -> Systeem Aarde
Emergente eigenschap: een eigenschap die ontstaat die op een lager organisatieniveau er
niet is.
Levenskenmerken: eigenschappen en processen die typisch zijn voor het leven dat wij op
aarde kennen.
1. Beweging
2. Groei en ontwikkeling
3. Voortplanting
4. Stofwisseling
5. Waarnemen en reageren
Diabetes
Normaal wordt er door je lichaam insuline aangemaakt die dienen als een sleutel voor je
cellen die het suiker naar binnen laten. Bij diabetes gaat dit mis.
Type 1: er wordt te weinig insuline aangemaakt door de pancreas.
Type 2: de insuline receptor laat het klepje niet open.
Er zijn veel verschillende groottes, vormen en functies van cellen. Dit heet celdifferentiatie.
Stamcellen:
1. Hebben nog geen functie
2. Kunnen zich snel en altijd delen
3. Maken maar 1 type cel
Grote inhoud = klein oppervlak
Kleine inhoud = groot oppervlak
Bij een groot oppervlak (kleine dieren) heb je een hoger metabolisme nodig om warm te
blijven. Kleine cellen kunnen beter stoffen uitwisselen dan grotere cellen in verhouding.
Verschillende celtypen
Eukaryoten: dieren, planten, schimmels (wel celkern)
Archaea: bacteriën (geen celkern)
Organellen + functie
Celmembraan: bepaalt wat er in en uit de cel beweegt. Het bestaat uit een dubbele
fosfolipidenlaag. Dit is de cholesterol. Laat kleine gassen en vetachtige stoffen zoals
hormonen door. Water niet. Hier kan osmose plaatsvinden.
Mitochondriën: waar m.b.v zuurstof energie vrijkomt in de vorm ATP en wordt
bewaard tot wanneer nodig. Het aantal is afhankelijk van de activiteit van de cel.
Kern: bevat DNA en bestuurt de functies van de cel. DNA bevat de code waarmee
eiwitten gemaakt kunnen worden. Bijna alle processen in ons lichaam doen dat d.m.v
eiwitten.
, Ribosoom: waar eiwitsynthese plaatsvindt. Zit los in het cytoplasma en op het
Endoplasmatisch Reticulum. Krijgt informatie van het DNA waarmee hij eiwitten kan maken.
Cytoplasma: waar de meerderheid van de activiteiten plaatsvindt
Celwand: gemaakt van cellulose en versterkt de cel zodat ze niet barsten bij te veel
wateropname.
Vacuole: ruimte gevuld met celsap dat de cel troostrijk houdt
Chloroplast: bevat chlorofyl en de locatie van fotosynthese
Endoplasmatisch reticulum: vervoert moleculen in de cel, vooral het vervoer van de
transport en aanmaak van eiwitten. (Zit om de celkern heen)
Golgi-systeem: opeengestapelde, platte blaasjes, die eiwitten vervoeren binnen/buiten de
cel (secretie). Vanuit de ER komen ze hier om de uiteindelijke vorm te krijgen.
Lysosoom: blaasjes met enzymen die grote deeltjes in de cel verteren en oude organellen
afbreken m.b.v een voedselvacuole.
Chloroplast: behoort tot de plastiden. Kan een functie hebben bij:
1. Fotosynthese
2. Lokken van insecten
3. Opslaan van voedsel
Vacuole: neemt water op (turgor) en andere voedingsstoffen.
Dieren
1. Geen celwand
2. Celkern (eukaryoot)
3. Meercellig
4. Heterotroof: zie onder
Bacteriën
1. Celwand
2. Eencellig
3. Geen celkern (prokaryoot)
4. Cirkelvormig DNA (geen celkern, dus los in de cytoplasma)
5. Flagellen voor voortbeweging
6. Heterotroof: leven van organische stoffen (net zoals dieren)
7. Kunnen worden bestreden met antibiotica. Organisch -> organisch
Schimmels
1. Celwand van chitine
2. Celkern (eukaryoot)
3. Eencellig EN meercellig
4. SOMS een vacuole
5. Heterotroof: zie boven
Plant
1. Celwand van cellulose
2. Celkern (eukaryoot)
3. Meercellig
4. Plastiden
● Chromoplasten (oranje/rood)