inclusief onderwijs: Een overzichtsstudie
A. A. de Boer, S. J. Pijl en A. E. M. G. Minnaert
Het onderwijs in Nederland en omliggende landen is er steeds meer op gericht om ook
leerlingen met beperkingen onderwijs op maat te bieden binnen het reguliere
(basis)onderwijs. Deze ontwikkeling wordt veelal aangeduid met ‘inclusief onderwijs’. Het
realiseren van inclusief onderwijs blijkt echter niet eenvoudig te zijn. Een deel van de
leerlingen met beperkingen vindt in sociaal opzicht moeilijk aansluiting met klasgenoten. Een
belangrijke factor daarin zou de attitude van leerkrachten, ouders en medeleerlingen kunnen
zijn.
Met de term inclusief onderwijs wordt verwezen naar het handhaven van leerlingen met
beperkingen in reguliere onderwijssettings – in plaats van hen te verwijzen naar speciaal
onderwijs. Met de invoering van het Weer Samen Naar Schoolbeleid, de Wet op de Expertise
Centra en het beleid met betrekking tot passend onderwijs wordt het onderwijzen van
kinderen met beperkingen in de reguliere klas steeds meer als uitgangspunt gepresenteerd.
Negatieve attitudes van medeleerlingen is één van de grootste problemen in de invoering
van inclusief onderwijs. Deze negatieve attitudes kunnen even schadelijk zijn als fysieke
barrières en leerlingen met beperkingen de mogelijkheden ontnemen deel uit te maken van
een reguliere school of gemeenschap. Er is in de afgelopen jaren in toenemende maten
aandacht gekomen voor de attitudes van direct betrokkenen (leerkrachten, ouders en
leerlingen). Deze overzichtsstudie tracht een overzicht te geven van recente studies rondom
dit terrein en poogt een antwoord te geven op de volgende twee onderzoeksvragen:
1. Welke attitudes hebben leerkrachten, ouders en leerlingen ten aanzien van de
inclusie van kinderen met beperkingen in het reguliere basisonderwijs?
2. Welke variabelen hebben een invloed op de attitudes van leerkrachten, ouders en
leerlingen?
In dit artikel wordt de volgende definitie van attitude gebruikt: een zienswijze of standpunt
van een individu met betrekking tot een bepaald ‘object’ (een persoon, een ding, een idee,
enz.). Als theoretisch kader wordt de driecomponenten theorie van Triandis gebruikt.
Volgens de driecomponenten theorie bestaat een attitude uit drie componenten:
1. Cognitieve component: de overtuiging of de kennis van het individu over het object.
2. Affectieve component : de gevoelens van het individu voor het object.
3. Gedragscomponent: reflecteert een concrete gedragsintentie.
1