colleges,
Vraag 1
Welk weefsel kan gezien worden als een deel van de aspecifeke afweer?
A) bindweefsel
B) spierweefsel
C) dekweefsel
D) zenuwweefsel
Vraag 2
Welk onderdeel van de cel is verantwoordelijk voor de aanmaak van eiwiten?
A) het gladde Golgiapparaat
B) het gladde endoplasmatsch retculum
C) het ruwe Golgiapparaat
D) het ruwe endoplasmatsch retculum
Vraag 3
Welk onderdeel binnenin de cel voegt glucose en fosfaten toe aan de gemaakte eiwiten?
A) het endoplasmatsch retculum
B) het Golgiapparaat
C) het mitochondrium
D) de celkern
Vraag 4
Wat wordt verstaan onder modifcate van eiwiten?
A) het toevoegen van glucose en fosfaten aan de gemaakte eiwiten
B) het maken van de eiwiten
C) de eiwiten die gaan fuseren met het celmembraan om zo buiten de cel te treden
D) het vouwen van de eiwiten
Vraag 5
Stelling 1: Homologe chromosomen bevaten precies dezelfde allelen.
Stelling 2: De mens heef 23 paar chromosomen. Dit wordt Diploïd genoemd.
A) stelling 1 juist, stelling 2 onjuist
B) stelling 2 juist, stelling 1 onjuist
C) beide stellingen onjuist
D) beide stellingen juist
Vraag 6
Stelling 1: transcripte vindt eerder plaats dan translate.
Stelling 2: Een codon codeert voor een aminozuur en bestaat uit drie leters.
A) stelling 1 juist, stelling 2 onjuist
B) stelling 2 juist, stelling 1 onjuist