Leerjaar 2 (VWO), boek: MEMO vwo/gymnasium
3.1 en 3.2 + leerdoelen 3.1 en 3.2
, 3.1 De verlichting.
De standensamenleving
In Frankrijk was er sinds de middeleeuwen al de standensamenleving; de maatschappij was ingedeeld
in drie groepen:
De geestelijkheid, die moest bidden voor iedereen.
De adel, die het land verdedigde en de koning hielp bij het bestuur.
De derde stand, die zorgde voor de voedsel en de andere zaken.
De koning had absolute macht en de 1e en 2e stand waren heel klein maar ze bekleedden de
belangrijkste functies in de kerk, leger en bestuur. Ze bezaten een groot deel van de grond en hadden
privileges; ze hoefden geen belasting te betalen. Dit soort bestuur heet het ancien régime. 98% van
de Fransen behoorde bij de 3e stand. De 3e stand werd ook ingedeeld in 3 groepen:
De Bourgeoisie, woonde in steden en waren kooplieden, rechters en bankiers.
Ambachtslieden en winkeliers.
Arme loonarbeiders en boeren
Verlicht denken
De wetenschappelijke revolutie in de 17e eeuw had gezorgd voor nieuwe kennis. Dankzij de rede ratio
in het Latijn zouden mensen de wereld om hen heen beter bergrijpen en we wie dat deed en verlicht
was, kon de wereld ook verbeteren. Deze mensen hadden logische verklaringen voor
natuurverschijnselen. Daardoor konden ze ook oplossingen bedenken zoals een bliksemafleider. Deze
manier van denken doem je de verlichting. Deze mensen vonden dat je kritisch moest nadenken. Wat
de koning of de kerk zei was niet per se waar. Daarom vonden ze onderwijs en discussie belangrijk.
Ook waren ze voor religieuze tolerantie (verdraagzaamheid). Kerken geloofden dat hun geloof het
enige juiste was, maar hadden daar geen wetenschappelijk bewijs voor. Verlichte denkers vonden dus
dat iedereen vrij moest zijn om te geloven wat hij wilde
Nieuwe ideeën over goed bestuur
Verlichte denkers dachten na over de samenleving. Zij hadden kritiek op de standensamenleving en
het absolutisme. Zij vonden dat alle mensen natuurrechten hadden. Niemand mocht het bezit en de
vrijheid van anderen aantasten, zoals in het Franse ancien régime gebeurde. Verlichte denkers waren
het er niet over eens hoe je dit het beste kon oplossen. Sommigen waren heel radicaal, zoals Jean-
Jacques Rousseau. Hij wilde democratie. Anderen dachten na over het voorkomen van
machtsmisbruik door het bestuur. Charles de Montesquieu stelde een scheiding van de machten voor
die hij de trias politica noemde. De macht moest in drieën worden verdeeld.
1 Een vergadering van vertegenwoordigers van het volk maakt de wetten (wetgevende macht).
2 De koning en de regering voeren de wetten uit (uitvoerende macht).
3 Rechters geven straffen als burgers, koning of regering zich niet aan de wetten houden
(rechtsprekende macht).
Absolute vorsten in Europa waren niet blij met deze ideeën. Ze verboden boeken met kritiek op het