BREIN, BEWEGING & GEDRAG 2
WEEK 4
BREIN – PARKINSON 2
GEDRAG – OBSESSIEF COMPULSIEVE STOORNIS (OCD) 9
BEWEGING – SCHOUDERPROBLEMEN 19
,BREIN – PARKINSON
Voorbespreking
− 80-jarige vrouw
− Stijfheid in de benen
− Duur = vanaf 2011
− Beloop = langzaam erger geworden
− Stijfheid altijd aanwezig, maar vooral bij opstaan
− Geen andere klachten
− Stijfheid erger bij moeheid
− Stijfheid in hele benen
− Geen pijn
− Balansproblemen
− Trager in bewegingen
− Micrografie
− Man in januari overleden: sindsdien voelt ze zich alleen en is haar stemming minder
− Intoxicaties = geen
− Voorgeschiedenis = hamerteen, vinger gebroken
− Medicatie = diuretica, cholesteroltabletten
− Hartkloppingen, droge keel, veel plassen, obstipatie
Pre-DD
Artrose, cerebellair syndroom, Parkinson, seniele loopstoornis.
Lichamelijk onderzoek
− Gaan & staan = robotachtig lopen, moeite met omdraaien (veel kleine stapjes),
voorovergebogen, pull-test positief (houdingsreflexen)
− Tonus in arm = tandradfenomeen
− Amplitude en vertraagde vingertappen = bradykinesie
− Mimiek = maskergelaat
− Minder oogknipperen
− Geen houdingstremor
− Eigenlijk ook reflexen slaan
− Reukverlies
Leerdoelen
1. Wat is Parkinson?
Ziekte van Parkinson = ontstaat in de hersenen een tekort aan de neurotransmitter dopamine.
Cellen die dopamine produceren in de substantia nigra, sterven langzaam af. Door het
dopaminetekort wordt de aansturing van spierbewegingen aangetast, er kunnen trillingen of
trager bewegen optreden.
De ziekte van Parkinson begint doorgaans met het verminderd meebewegen van één arm.
Deze in het begin eenzijdige, verminderde armbeweging (armswing) valt mensen uit de
omgeving vaak eerder op dan de patiënt zelf. Vaak gaat dit kort daarna gepaard met en minder
soepel bewegen van het been aan dezelfde zijde (bij elke stap moet nagedacht worden). Enige
tijd later kan de bijbehorende hand gaan beven en ontstaat er een geringe onhandigheid,
vooral bij snelle alternerende bewegingen (schrijven, piano spelen). De patiënt heeft meer tijd
nodig voor algemene dagelijkse handelingen, zoals aankleden, wassen, tandenpoetsen en
scheren. Vooral de automatische motoriek is gestoord: de patiënt merkt dat hij bij al zijn
bewegingen moet nadenken. Een vroeg verschijnsel is ook het kleiner worden van het
Week 4 – BBG2 Page 2 of 29
, handschrift (= micrografie). Een opvallend symptoom is verder de verminderde spontane
motoriek van het gezicht en het verminderd oogknipperen (= maskergelaat).
Vroege symptomen zijn minder armswing, micrografie, onhandigheid en reukstoornissen.
Late symptomen zijn cognitieve stoornissen, slaapstoornissen, depressie, constipatie en
autonome functiestoornissen, visuele hallucinaties en bradyfrenie.
a. Klinisch beeld
Kernsymptomen van Parkinson
− Bewegingsarmoede/traagheid (bradykinesie) moet aanwezig zijn
− Rigiditeit: spierpijn (+), moeheid (++), tandradfenomeen
− Asymmetrische rusttremor
− Houdingsinstabiliteit: gestoorde houdingsreflexen (pull-test) en voorovergebogen
houding
− Loopstoornissen: kleine pasjes, moeilijk starten en stoppen, ongewenst sneller lopen
Bewegingsarmoede levert de patiënt doorgaans de meeste hinder op. Hierbij kan sprake zijn
van te weinig spontane bewegingen (hypokinesie: amplitudo van beweging neemt af), de
bewegingen kunnen moeilijk in gang worden gezet of volgehouden worden (akinesie) of er is
sprake van trage bewegingen (bradykinesie). Bij Parkinson staat de afnemende grootte van
de bewegingsuitslag bij een herhaalde beweging centraal (kan worden getest met
vingertappen).
Tremor wordt veelal als het belangrijkste kenmerk van Parkinson beschouwd, maar deze kan
echter bij 30% van de patiënten geheel ontbreken, zelfs in het gevorderde stadium. Indien wel
aanwezig is er sprake van een rusttremor met een frequentie van 4 tot 7 hertz in hand, been
of kin. De typische handtremor waaraan de ziekte op het oog te diagnosticeren is, is een
altererende tremor die vooral in rust aanwezig is en de indruk geeft van geldtellen. Deze soms
fijne, soms zeer grove tremor verdwijnt of vermindert meestal bij doelgerichte bewegingen. De
tremor is gedurende slaap afwezig en verergert door emoties of aandacht en kan spontaan in
intensiteit wisselen. Bij verdere progressie ontstaat de tremor vaak in beide handen, maar blijft
doorgaans asymmetrisch wat betreft ernst. Ook kan er sprake zijn van een houdingstremor
welke vaak een hogere frequentie heeft dan de rusttremor. Typisch is dat bij het aannemen
van een houding (zoals uitstrekken van beide armen), de rusttremor kortdurend verdwijnt, om
na enkele seconden als houdingstremor terug te komen (initiële demping).
Een Parkinson tremor is in feite een hyperkinesie, maar het optreden ervan is gerelateerd aan
onvoldoende dopaminerg effect en daarmee aan bewegingsarmoede en stijfheid.
Houdingsinstabiliteit wordt ook gezien bij Parkinson. De lichaamshouding en open veranderen.
De patiënt loopt spontaan met kleine pasjes. Hij neigt tot vooroverlopen, met soms
doorgezakte knieën. Camptocormia = een sterk voorovergebogen houding. Bij zitten of liggen
verdwijnt deze lichaamskromming grotendeels. De gebogen lichaamshouding kan een
negatief effect hebben op het evenwicht, wat leidt tot houdingsinstabiliteit. In de loop van de
ziekte kan sprake zijn van een verminderd vermogen om bij houdingsveranderingen het
zwaartepunt te verleggen. Vervolgens lukt het niet of pas na een aantal pogingen te starten
met lopen en eenmaal gang valt hij makkelijk.
Loopstoornissen treden op als gevolg van houdingsinstabiliteit en problemen met (veranderen
van) beweging. Er is sprake van onwillekeurige verkorting en versnelling van passen
(festinatie), niet plotseling kunnen stoppen of steeds harder gaan lopen (propulsie) en
plotseling volledig blokkeren van het lopen, waardoor de patiënt als bevroren in dezelfde
houding blijft staan (freezing).
Rigiditeit is hypertonie. Bij rigiditeit worden agonisten en antagonisten beide even sterk
voorgespannen, zodat er over het gehele bewegingstraject een toename van tonus bestaat.
Week 4 – BBG2 Page 3 of 29
WEEK 4
BREIN – PARKINSON 2
GEDRAG – OBSESSIEF COMPULSIEVE STOORNIS (OCD) 9
BEWEGING – SCHOUDERPROBLEMEN 19
,BREIN – PARKINSON
Voorbespreking
− 80-jarige vrouw
− Stijfheid in de benen
− Duur = vanaf 2011
− Beloop = langzaam erger geworden
− Stijfheid altijd aanwezig, maar vooral bij opstaan
− Geen andere klachten
− Stijfheid erger bij moeheid
− Stijfheid in hele benen
− Geen pijn
− Balansproblemen
− Trager in bewegingen
− Micrografie
− Man in januari overleden: sindsdien voelt ze zich alleen en is haar stemming minder
− Intoxicaties = geen
− Voorgeschiedenis = hamerteen, vinger gebroken
− Medicatie = diuretica, cholesteroltabletten
− Hartkloppingen, droge keel, veel plassen, obstipatie
Pre-DD
Artrose, cerebellair syndroom, Parkinson, seniele loopstoornis.
Lichamelijk onderzoek
− Gaan & staan = robotachtig lopen, moeite met omdraaien (veel kleine stapjes),
voorovergebogen, pull-test positief (houdingsreflexen)
− Tonus in arm = tandradfenomeen
− Amplitude en vertraagde vingertappen = bradykinesie
− Mimiek = maskergelaat
− Minder oogknipperen
− Geen houdingstremor
− Eigenlijk ook reflexen slaan
− Reukverlies
Leerdoelen
1. Wat is Parkinson?
Ziekte van Parkinson = ontstaat in de hersenen een tekort aan de neurotransmitter dopamine.
Cellen die dopamine produceren in de substantia nigra, sterven langzaam af. Door het
dopaminetekort wordt de aansturing van spierbewegingen aangetast, er kunnen trillingen of
trager bewegen optreden.
De ziekte van Parkinson begint doorgaans met het verminderd meebewegen van één arm.
Deze in het begin eenzijdige, verminderde armbeweging (armswing) valt mensen uit de
omgeving vaak eerder op dan de patiënt zelf. Vaak gaat dit kort daarna gepaard met en minder
soepel bewegen van het been aan dezelfde zijde (bij elke stap moet nagedacht worden). Enige
tijd later kan de bijbehorende hand gaan beven en ontstaat er een geringe onhandigheid,
vooral bij snelle alternerende bewegingen (schrijven, piano spelen). De patiënt heeft meer tijd
nodig voor algemene dagelijkse handelingen, zoals aankleden, wassen, tandenpoetsen en
scheren. Vooral de automatische motoriek is gestoord: de patiënt merkt dat hij bij al zijn
bewegingen moet nadenken. Een vroeg verschijnsel is ook het kleiner worden van het
Week 4 – BBG2 Page 2 of 29
, handschrift (= micrografie). Een opvallend symptoom is verder de verminderde spontane
motoriek van het gezicht en het verminderd oogknipperen (= maskergelaat).
Vroege symptomen zijn minder armswing, micrografie, onhandigheid en reukstoornissen.
Late symptomen zijn cognitieve stoornissen, slaapstoornissen, depressie, constipatie en
autonome functiestoornissen, visuele hallucinaties en bradyfrenie.
a. Klinisch beeld
Kernsymptomen van Parkinson
− Bewegingsarmoede/traagheid (bradykinesie) moet aanwezig zijn
− Rigiditeit: spierpijn (+), moeheid (++), tandradfenomeen
− Asymmetrische rusttremor
− Houdingsinstabiliteit: gestoorde houdingsreflexen (pull-test) en voorovergebogen
houding
− Loopstoornissen: kleine pasjes, moeilijk starten en stoppen, ongewenst sneller lopen
Bewegingsarmoede levert de patiënt doorgaans de meeste hinder op. Hierbij kan sprake zijn
van te weinig spontane bewegingen (hypokinesie: amplitudo van beweging neemt af), de
bewegingen kunnen moeilijk in gang worden gezet of volgehouden worden (akinesie) of er is
sprake van trage bewegingen (bradykinesie). Bij Parkinson staat de afnemende grootte van
de bewegingsuitslag bij een herhaalde beweging centraal (kan worden getest met
vingertappen).
Tremor wordt veelal als het belangrijkste kenmerk van Parkinson beschouwd, maar deze kan
echter bij 30% van de patiënten geheel ontbreken, zelfs in het gevorderde stadium. Indien wel
aanwezig is er sprake van een rusttremor met een frequentie van 4 tot 7 hertz in hand, been
of kin. De typische handtremor waaraan de ziekte op het oog te diagnosticeren is, is een
altererende tremor die vooral in rust aanwezig is en de indruk geeft van geldtellen. Deze soms
fijne, soms zeer grove tremor verdwijnt of vermindert meestal bij doelgerichte bewegingen. De
tremor is gedurende slaap afwezig en verergert door emoties of aandacht en kan spontaan in
intensiteit wisselen. Bij verdere progressie ontstaat de tremor vaak in beide handen, maar blijft
doorgaans asymmetrisch wat betreft ernst. Ook kan er sprake zijn van een houdingstremor
welke vaak een hogere frequentie heeft dan de rusttremor. Typisch is dat bij het aannemen
van een houding (zoals uitstrekken van beide armen), de rusttremor kortdurend verdwijnt, om
na enkele seconden als houdingstremor terug te komen (initiële demping).
Een Parkinson tremor is in feite een hyperkinesie, maar het optreden ervan is gerelateerd aan
onvoldoende dopaminerg effect en daarmee aan bewegingsarmoede en stijfheid.
Houdingsinstabiliteit wordt ook gezien bij Parkinson. De lichaamshouding en open veranderen.
De patiënt loopt spontaan met kleine pasjes. Hij neigt tot vooroverlopen, met soms
doorgezakte knieën. Camptocormia = een sterk voorovergebogen houding. Bij zitten of liggen
verdwijnt deze lichaamskromming grotendeels. De gebogen lichaamshouding kan een
negatief effect hebben op het evenwicht, wat leidt tot houdingsinstabiliteit. In de loop van de
ziekte kan sprake zijn van een verminderd vermogen om bij houdingsveranderingen het
zwaartepunt te verleggen. Vervolgens lukt het niet of pas na een aantal pogingen te starten
met lopen en eenmaal gang valt hij makkelijk.
Loopstoornissen treden op als gevolg van houdingsinstabiliteit en problemen met (veranderen
van) beweging. Er is sprake van onwillekeurige verkorting en versnelling van passen
(festinatie), niet plotseling kunnen stoppen of steeds harder gaan lopen (propulsie) en
plotseling volledig blokkeren van het lopen, waardoor de patiënt als bevroren in dezelfde
houding blijft staan (freezing).
Rigiditeit is hypertonie. Bij rigiditeit worden agonisten en antagonisten beide even sterk
voorgespannen, zodat er over het gehele bewegingstraject een toename van tonus bestaat.
Week 4 – BBG2 Page 3 of 29