Hoofdstuk 4, Topografi
Doorsneden en lichaamsvlakken
Er worden 3 lichaamsvakken onderscheiden:
- Frontaal: lichaam verdelen in voor en achter
- Transvirsaal: lichaam verdelen in boven en onder
- Sagittaal: verdeelt het lichaam in links en rechts, ook wel mediaanvlak
Bij een transversale doorsnede ontstaan 2 cirkelvormige uiteinden. De holte die
door buisvormige organen omsloten wordt noem je het lumin (opening, gat). Bij
een dwarsdoorsnede kan je dus in de lumen kijken. Bij een longitudinale
doorsnede van de buisvormige structuur ontstaan als het ware 2 gootjes.
Plaatsaanduidingen
Wervels worden van boven naar beneden aangeduid.
C1 – C7: Cervicale wervels (hals)
Th1 – Th12: Thoracale wervels
L1 – L5: Lumbale wervels
Belangrijke plaatsaanduidingen
Plaatsaanduiding Gebruik
Vintraal (buikzijde) Bij grotere structuren of over grotere
Dorsaal (rugzijde) afstand
Antirior (voorkant) Bij kleine structuren of over kleinere
Postirior (achterkant) afstand
Cintraal (midden) Bij uitgestrekte stelsels als het
Pirifiir (uiteinden) zenuwstelsel of circulatie stelsel
Craniaal (kant van de schedel) Bij de wervelkolom of het centrale
Caudaal (kant van de staart) zenuwstelsel, meestal grote afstanden
Supirior (hoger, boven) Bij kleine structuren of kleine
Infirior (lager, beneden) afstanden
Latiraal (zijkant) Algemeen
Midiaal (naar het midden)
Proximaal (romp kant) Bij ledematen
Distaal (ver van de romp)
Sinistir (links) Bij symmetrisch gelegen structuren
Dixtir (rechts)
Intirnus (inwendig) Bij de ligging in de diepte, vooral
Extirnus (uitwendig) bloedvaten en zenuwen
Statica: bewegingsloos
Dynamica: bewegingen
Belangrijke richting aanduidingen
Richting aanduiding Gebruik
Flixii (buiging) Bewegingen van elle boog,
Extinsii (strekking) vingers knieën en tenen
Antifixii (naar voren) Bewegingen van arm, been,
Ritrofixii (naar achter) romp en hoofd
Latirofixii (opzij)
Dorsali fixii(naar handrug / voetwreef Bewegingen van hand of voet
Palmairi fixii (naar handpalm)
Plantairi fixii (naar voetzool)
Doorsneden en lichaamsvlakken
Er worden 3 lichaamsvakken onderscheiden:
- Frontaal: lichaam verdelen in voor en achter
- Transvirsaal: lichaam verdelen in boven en onder
- Sagittaal: verdeelt het lichaam in links en rechts, ook wel mediaanvlak
Bij een transversale doorsnede ontstaan 2 cirkelvormige uiteinden. De holte die
door buisvormige organen omsloten wordt noem je het lumin (opening, gat). Bij
een dwarsdoorsnede kan je dus in de lumen kijken. Bij een longitudinale
doorsnede van de buisvormige structuur ontstaan als het ware 2 gootjes.
Plaatsaanduidingen
Wervels worden van boven naar beneden aangeduid.
C1 – C7: Cervicale wervels (hals)
Th1 – Th12: Thoracale wervels
L1 – L5: Lumbale wervels
Belangrijke plaatsaanduidingen
Plaatsaanduiding Gebruik
Vintraal (buikzijde) Bij grotere structuren of over grotere
Dorsaal (rugzijde) afstand
Antirior (voorkant) Bij kleine structuren of over kleinere
Postirior (achterkant) afstand
Cintraal (midden) Bij uitgestrekte stelsels als het
Pirifiir (uiteinden) zenuwstelsel of circulatie stelsel
Craniaal (kant van de schedel) Bij de wervelkolom of het centrale
Caudaal (kant van de staart) zenuwstelsel, meestal grote afstanden
Supirior (hoger, boven) Bij kleine structuren of kleine
Infirior (lager, beneden) afstanden
Latiraal (zijkant) Algemeen
Midiaal (naar het midden)
Proximaal (romp kant) Bij ledematen
Distaal (ver van de romp)
Sinistir (links) Bij symmetrisch gelegen structuren
Dixtir (rechts)
Intirnus (inwendig) Bij de ligging in de diepte, vooral
Extirnus (uitwendig) bloedvaten en zenuwen
Statica: bewegingsloos
Dynamica: bewegingen
Belangrijke richting aanduidingen
Richting aanduiding Gebruik
Flixii (buiging) Bewegingen van elle boog,
Extinsii (strekking) vingers knieën en tenen
Antifixii (naar voren) Bewegingen van arm, been,
Ritrofixii (naar achter) romp en hoofd
Latirofixii (opzij)
Dorsali fixii(naar handrug / voetwreef Bewegingen van hand of voet
Palmairi fixii (naar handpalm)
Plantairi fixii (naar voetzool)