OVERHEID EN MIDDENVELD
(MOM)
1
,LITERATUUR
De samenvatting bestaat uit de volgende artikelen:
1. College 1: ‘Governance’: waar komt dat vandaan en wat is het?
o Item 1: Kooiman (2003). Governing as governance.
2. College 2: Theorieën en benaderingen van ‘governance’ met
markt, overheid en middenveld
o Item 3: Durant, Thornton (2018). Categorizing institutional logics.
o Item 4: Ouchi (1980). Markets, Bureaucracies, and Clans.
o Item 5: Agranoff, McGuire (1999). Managing in network settings.
3. College 4: Marktactoren en hun institutionele logica (1)
o Item 6: Pedro (2018). Ending institutions.
o Item 7: Van Witteloostuijn (1992). Theories of competition and
market performance.
o Item 8: Williamson (2000). The New Institutional Economics.
4. College 5: Marktactoren en hun institutionele logica (2)
o Item 9: Greenwood, Diaz, Li & Lorente (2010). The multiplicity of
institutional logics and the heterogeneity of organizational
responses.
o Item 10: Thornton (1999). The sociology of entrepreneurship.
o Item 11: Porter (1990). The competitive Advantage of Nations.
5. College 6: Overheidsactoren en hun institutionele logica (1)
o Item 12: Downs (1964). Inside bureaucracy.
o Item 13: Olsen (2005). Maybe it is time to rediscover bureaucracy.
o Item 14: Williamson (1999). Public and private bureaucracies.
6. College 7: Overheidsactoren en hun institutionele logica (2)
o Item 15: Kaufmann & Van Witteloostuijn (2016). Do Rules Breed
Rules?
o Item 16: Moynihan & Herd (2010). Red tape and democracy.
o Item 17: Adler & Borys (1996). Two types of bureaucracy: enabling
and coercive.
7. College 8: Middenveldpartijen en hun institutionele logica (1)
o Item 18: Battilana & Lee (2014). Advancing research on hybrid
organizing.
o Item 19: Besharov & Smith (2014). Multiple institutional logics in
organizations.
o Item 20: Brandsen, Van de Donk & Putters (2005). Griffins or
chameleons?
8. College 9: Middenveldpartijen en hun institutionele logica (2)
o Item 21: Bjerregaard & Jonasson (2014). Managing unstable
institutional contradictions.
o Item 22: Doherty, Haugh & Lyon (2014). Social enterprises as hybrid
organizations.
o Item 23: Pache, & Santos (2013). Inside the hybrid organization.
2
, 9. College 11: De dynamiek (communicatie en besluitvorming) in
‘governance’
o Item 25: Hodge, Greve (2007). Public-private partnerships.
o Item 26: Ansell & Gash (2008). Collaborative governance in theory
and practice.
o Item 27: Bovaird (2004). Public-private partnerships.
3
, o
COLLEGE 1: ‘GOVERANCE: WAAR KOMT HET VANDAAN EN WAT IS
HET?
ITEM 1: GOVERNING AS GOVERNANCE – KOOIMAN
Governance van en in modern samenlevingen is een mix van allerlei besturende
inspanningen door allerlei sociaal-politieke actoren, zowel publiek als privaat;
plaatsvindend tussen hen op verschillende niveaus, in verschillende
bestuursmodussen en -ordenen.
- Governing = de totaliteit van interacties, waarin publieke en private
actoren deelnemen, gericht op het oplossen van maatschappelijke
problemen, of het creëren van maatschappelijke kansen; lettend op de
instellingen als context voor deze bestuurlijke interacties en het vestigen
van een normatieve basis voor deze activiteiten.
- Governing = kan worden gezien als de totaliteit van theoretische
opvattingen over regeren.
Interactions (wisselwerking) = kan worden beschouwd als een wederzijds
beïnvloedende relatie tussen twee of meer actoren. Drie typen interacties:
1. Interferences: de interacties die de primaire sociale processen vormen.
2. Interplay: de interacties met een horizontaal karakter. Hier bestaat geen
formele autoriteit, dominantie of ondergeschiktheid.
3. Interventions: de meest geformaliseerde vorm van maatschappelijke
interacties, gericht op gerichte uitoefening van geformaliseerde invloed,
vaak met bepalingen eraan verbonden.
Interactions als tweesnijdend zwaard: het onderscheiden van een
intentioneel en een structureel niveau in bestuurlijke interacties benadrukt dat
bestuurlijke acties en bestuursstructuur niet zonder elkaar kunnen worden
begrepen.
Drie modes of governance (interacties):
1. Self-governance: het vermogen van entiteiten om zichzelf autonoom te
besturen.
2. Co-governance: het gebruik van georganiseerde vormen van interacties
voor bestuurlijke doeleinden. Betrokken partijen moeten iets gezamenlijks
hebben om na te streven.
3. Hierarchical governance: als een structurele regeling, moet worden
gezien als ingebed in een bredere categorie van maatschappelijke
interventies.
o Sturing: een richting die bestuurders uit willen gaan.
o Controle: top-down/bottom-up controle of checks and balances.
Drie orders of governance:
1. Problems and opportunities (first-order governance): verwijst naar
het dagelijkse proces waarin bestuurlijke actoren proberen om problemen
aan te pakken of kansen te creëren.
4