WEEK 2: De organisatie van het openbaar bestuur; het bestuursorgaanbegrip (week 11 februari 2019)
Hoorcollege Van Ommeren
Voorgeschreven stof: Hoorcollege 2
Michiels H 3 (m.u.v. p. 55-56), par. 4.5, H 5 (m.u.v. par. 5.7 en 5.9).
Leerdoelen:
Studenten kennen op hoofdlijnen de organisatie van het Nederlandse openbaar bestuur.
Studenten begrijpen het verschil tussen overheidslichamen en bestuursorganen.
Openbare lichamen
Art. 2:1 BW kent openbare lichamen rechtspersoonlijkheid toe; doordat het door de wet wordt
toegekend, spreekt men van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Openbare lichamen met een algemene bestuurstaak : Rijk, provincies en gemeenten.
Openbare lichamen met een beperkte bestuurstaak : waterschappen.
Bestuursorgaan
Dit zijn volgens art. 1:1 Awb bestuurlijke ambten.
Zie kopje hieronder.
Studenten weten wat het verschil is tussen een bestuursorgaan op grond van art. 1:1 lid 1 sub a
Awb (zogenaamde a-organen) en op grond van sub b (b-organen).
Art. 1:1 lid 1
Sub a : A-organen
o Deze organen zijn krachtens het publiekrecht ingesteld.
o De Awb is in beginsel op al hun handelingen van toepassing.
o Dit zijn de bestuursorganen van de Staat, de gemeenten, de provincies, de
waterschappen en andere lichamen waaraan bij of krachtens de wet
rechtspersoonlijkheid is toegekend.
o A-organen zijn voorts organen van andere instellingen waaraan door de wet
rechtspersoonlijkheid is verleend, zoals openbare universiteiten.
Sub b : B-organen
o Dit zijn andere personen of colleges die met enig openbaar gezag zijn bekleed.
o De Awb is slechts van toepassing voor zover ze openbaar gezag uitoefenen.
o Ze bezitten niet krachtens publiekrecht rechtspersoonlijkheid.
Studenten kunnen aan de hand van een gegeven bijzondere wet bepalen of een bepaald orgaan
een a-orgaan in de zin van de Awb is.
1
, Studenten weten wat een zelfstandig bestuursorgaan is.
Zelfstandig bestuursorgaan (Zbo)
Zie art. 1 Kaderwet Zbo
Dit zijn organen die een bestuurstaak verrichten, op het niveau van de centrale overheid, maar
die niet in een hiërarchische relatie staan tot een minister en daardoor geen directe
bestuurlijke en democratische controle kennen.
Ze worden gekenmerkt door een zelfstandige taakuitoefening.
× Geen vereisten : publiekrechtelijke bevoegdheden en het bezitten van rechtspersoonlijkheid.
Sommige Zbo’s zijn a-organen : als ze bij wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen. En
sommige zijn b-organen : als ze privaatrechtelijk zijn opgericht en publiekrechtelijke
bevoegdheden hebben.
Met het oog op controle zijn Zbo’s enigszins problematisch; zij vallen namelijk op rijksniveau
niet hiërarchisch onder de minister, waardoor noch het parlement noch enige andere
bestuurlijke of vertegenwoordigende instantie dat orgaan volledig ter verantwoording kan
roepen.
Studenten weten welke drie verschillende manieren er zijn voor een bestuursorgaan om een
bevoegdheid te verkrijgen (attributie, delegatie en mandaat). Studenten kunnen in een casus
herkennen hoe een bestuursorgaan een bevoegdheid heeft verkregen en ze kunnen het juiste
deel van de Awb vervolgens op de uitoefening van deze bevoegdheid toepassen.
Manieren om bevoegdheid te verkrijgen :
1. Attributie
Een nog niet bestaande bevoegdheid wordt in het leven geroepen en aan een
bestuursorgaan toegekend oorspronkelijke/originaire bevoegdheidstoekenning.
Attributie van regelgevende bevoegdheid dient plaats te vinden in de Grondwet of een
organieke wet; voor toekenning van andere bevoegdheden kan dit ook op een lager
niveau plaatsvinden. Wel moet de bevoegdheid altijd (in)direct op de Grondwet of een
WiFz zijn gebaseerd.
2. Delegatie
Een bestuursorgaan draagt een bestaande bestuursbevoegdheid geheel/gedeeltelijk en
al dan niet tijdelijk over aan een ander orgaan.
Voor delegatie is steeds een wettelijke grondslag vereist (art. 10:15).
Delegatie aan ondergeschikten is verboden.
3. Mandaat
Dit is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (art.
10:1 Awb).
De verantwoordelijkheid voor de genomen besluiten blijft bij de mandaatgever (art.
10:2 Awb). Wel moet de gemandateerde zich houden aan de grenzen van de
2
Hoorcollege Van Ommeren
Voorgeschreven stof: Hoorcollege 2
Michiels H 3 (m.u.v. p. 55-56), par. 4.5, H 5 (m.u.v. par. 5.7 en 5.9).
Leerdoelen:
Studenten kennen op hoofdlijnen de organisatie van het Nederlandse openbaar bestuur.
Studenten begrijpen het verschil tussen overheidslichamen en bestuursorganen.
Openbare lichamen
Art. 2:1 BW kent openbare lichamen rechtspersoonlijkheid toe; doordat het door de wet wordt
toegekend, spreekt men van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Openbare lichamen met een algemene bestuurstaak : Rijk, provincies en gemeenten.
Openbare lichamen met een beperkte bestuurstaak : waterschappen.
Bestuursorgaan
Dit zijn volgens art. 1:1 Awb bestuurlijke ambten.
Zie kopje hieronder.
Studenten weten wat het verschil is tussen een bestuursorgaan op grond van art. 1:1 lid 1 sub a
Awb (zogenaamde a-organen) en op grond van sub b (b-organen).
Art. 1:1 lid 1
Sub a : A-organen
o Deze organen zijn krachtens het publiekrecht ingesteld.
o De Awb is in beginsel op al hun handelingen van toepassing.
o Dit zijn de bestuursorganen van de Staat, de gemeenten, de provincies, de
waterschappen en andere lichamen waaraan bij of krachtens de wet
rechtspersoonlijkheid is toegekend.
o A-organen zijn voorts organen van andere instellingen waaraan door de wet
rechtspersoonlijkheid is verleend, zoals openbare universiteiten.
Sub b : B-organen
o Dit zijn andere personen of colleges die met enig openbaar gezag zijn bekleed.
o De Awb is slechts van toepassing voor zover ze openbaar gezag uitoefenen.
o Ze bezitten niet krachtens publiekrecht rechtspersoonlijkheid.
Studenten kunnen aan de hand van een gegeven bijzondere wet bepalen of een bepaald orgaan
een a-orgaan in de zin van de Awb is.
1
, Studenten weten wat een zelfstandig bestuursorgaan is.
Zelfstandig bestuursorgaan (Zbo)
Zie art. 1 Kaderwet Zbo
Dit zijn organen die een bestuurstaak verrichten, op het niveau van de centrale overheid, maar
die niet in een hiërarchische relatie staan tot een minister en daardoor geen directe
bestuurlijke en democratische controle kennen.
Ze worden gekenmerkt door een zelfstandige taakuitoefening.
× Geen vereisten : publiekrechtelijke bevoegdheden en het bezitten van rechtspersoonlijkheid.
Sommige Zbo’s zijn a-organen : als ze bij wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen. En
sommige zijn b-organen : als ze privaatrechtelijk zijn opgericht en publiekrechtelijke
bevoegdheden hebben.
Met het oog op controle zijn Zbo’s enigszins problematisch; zij vallen namelijk op rijksniveau
niet hiërarchisch onder de minister, waardoor noch het parlement noch enige andere
bestuurlijke of vertegenwoordigende instantie dat orgaan volledig ter verantwoording kan
roepen.
Studenten weten welke drie verschillende manieren er zijn voor een bestuursorgaan om een
bevoegdheid te verkrijgen (attributie, delegatie en mandaat). Studenten kunnen in een casus
herkennen hoe een bestuursorgaan een bevoegdheid heeft verkregen en ze kunnen het juiste
deel van de Awb vervolgens op de uitoefening van deze bevoegdheid toepassen.
Manieren om bevoegdheid te verkrijgen :
1. Attributie
Een nog niet bestaande bevoegdheid wordt in het leven geroepen en aan een
bestuursorgaan toegekend oorspronkelijke/originaire bevoegdheidstoekenning.
Attributie van regelgevende bevoegdheid dient plaats te vinden in de Grondwet of een
organieke wet; voor toekenning van andere bevoegdheden kan dit ook op een lager
niveau plaatsvinden. Wel moet de bevoegdheid altijd (in)direct op de Grondwet of een
WiFz zijn gebaseerd.
2. Delegatie
Een bestuursorgaan draagt een bestaande bestuursbevoegdheid geheel/gedeeltelijk en
al dan niet tijdelijk over aan een ander orgaan.
Voor delegatie is steeds een wettelijke grondslag vereist (art. 10:15).
Delegatie aan ondergeschikten is verboden.
3. Mandaat
Dit is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (art.
10:1 Awb).
De verantwoordelijkheid voor de genomen besluiten blijft bij de mandaatgever (art.
10:2 Awb). Wel moet de gemandateerde zich houden aan de grenzen van de
2