Week 1
Ø De student kan het ziektebeeld* van coxartrose beschrijven
Incidentie/ prevalentie:
- Vrouwen komt het vaker voor dan mannen
- Het komt vaker voor bij de knie dan heup
- Ongeveer een miljoen mensen hebben artrose
- Hoe ouder hoe meer artrose
- Incidentie gaat bij 85+ omlaag, omdat kans op artrose dan niet meer groot is.
Etiologie + risicofactoren: wat is de oorzaak van de aandoening
Risicofactoren:
▫ Primaire artrose: Exacte etiologie onbekend à Idiopathisch
▫ Multifactoreel
- Aan systemische factoren kan je niet veel aan doen
- Vooral blanke mensen hebben meer last van artrose
Intrinsieke factoren: kun je een beetje iets aan doen
Extrinsieke factoren : factoren van buitenafà kun je iets aan doen
Extrinsieke biomechanische factoren à Daar kan je het snelste aan iets veranderen.
Beloop:
▫ Wisselend beloop
▫ Langzaam progressief
à Flares: Perioden van ontsteking
▫ Afhankelijk van risicofactoren
Pijltje: Het is langzaam progressief, dus gaat langzaam omhoog.
Flares: perioden van ontsteking
,Pathofysiologie: Veranderingen van cellen en/of matrix en/of functieverandering van weefsel
Artrose is een degeneratie van het kraakbeen
Mechanische prikkels
Overbelasting: Te veel beweging
Contactoppervlakte veranderen à = kraakbeen veranderd
Spons werking van het kraakbeen, zuigt het synovia op. Als het sponsje niet de volledige vorm heeft
en je gaat toch bealsten, dan komt er weinig synovia in het kraakbeen en daardoorook weinig synovia
in het gewrichtsoppervlakte.
Chondrocyten sterven door een te grote compressie
- Drukt eigenlijk synovia uit ’sponsje’ (zie info synovia T3) à slechte voeding,
beschadiging.
Onderbelasting: Te weinig beweging
Verlies matrix
à Boterosie, afbraak subchondraal bot (afbraak bot) ( als je bot belast, dan blijft het sterk)
à Afname dikte en veerkracht kraakbeen
à Blootliggen collageenweefsel à lekkage grondsubstantie (lekkage van PG’S en GAG’S
het gevolg hiervan is dat het kraakbeen gaat scheuren + ontstaan vorming van osteofyten
Rechterplaatje: Osteofyt vorming
, Symptomatologie (leer van alle ziekteverschijnselen) + diagnostiek:
Symptomatologie:
Klachtenbeeld:
à Pijn: Lies, bovenbeen, knie, bil à progressief
à Opstartstijfheid: Met name ‘s ochtends à zeer herkenbaar en typisch voor
(cox)artrose
à ADL: Afname alle GME’s (looppatroon, loopafstand, hurken)
à Crepitaties= krakend geluid
Functioneel klachtenbeeld: Als iemand weer gaat lopen
à Vermindering kracht: Heup abductoren, Trendelenburg signalen ( als heupspieren
minder zijn, dan zak je in à = trendelenburg)
à Verminderde stabiliteit
à Bewegingsbeperking volgens capsulair patroon (cox) 1. Endorotatie
2.Flexie/abductie/extensie)
De beweging die het meest is aangedaan bij coxartrose à Endorotatie meest beperkt, men loopt
meestal met been naar buiten. (exorotatie)
Diagnostiek: Op de röntgenfoto moet men letten op gewrichtsspleetversmalling, osteofytvorming,
deformatie, toegenomen botdichtheid (sclerose) en de aanwezigheid van cysten.
Beloop+ behandeling:
De behandeling van artrose is symptomatisch. Het gunstige effect van oefentherapie is aangetoond.
Pijnbestrijding kan nodig zijn. De rol van voedingssupplementen (glucosamine) is omstreden.
Behandeling fysiotjerapeut:
Primaire preventie
à Risicofactoren verkleinen
Tertiaire preventie: iemand heeft al artrose, wat kun je doen om de symptomen te bestrijden
à Remmen verslechtering GME’s
à Remmen negatief prognostische factoren
Pre-operatief BIBO
à Vergroten kracht
à Vergroten stabiliteit
à Vergroten UHV