Basis: “Introduction to personality” Mischel; “Personality psychology” Larsen en Buss
● Welke theorieen gaan uit van nature?
● Welke theorieen gaan uit van nurture?
● Hoe wordt onderzoek gedaan naar de invloed van nature/nurture op persoonlijkheid?
Erfelijkheid: mate van geobserveerde variatie in een groep individuen dat verklaard kan worden door genen.
Erfelijkheid:
● Phenotypic variance (fenotype): waarneembare verschillen, zoals lengte, gewicht
● Genotypic variance (genotype): de genen, kan niet veranderen
Heritability index: mate van erfelijkheid: welk gedeelte van fenotype kan worden toegeschreven aan genotype.
Omgeving: mate van geobserveerde variatie in een groep individuen dat verklaard kan worden door de omgeving.
● (Gedeelde invloeden: bijvoorbeeld huis/ ouders.
● Niet-gedeelde invloeden: bijvoorbeeld vriendenkring, dit heeft een grote invloed. )
Gedragsgenetica: studie die zich bezighoudt met de rol van genen en omgevingsinvloeden op gedrag. eigenschappen
worden door deze twee gevormd.
Onderzoekensmethoden
● Selective breeding: onderzoek bij dieren naar doorgefokte eigenschappen (bv vacht maar ook karakter) als blijkt
dat dit niet doorgegeven kan worden, wss bij mensen ook zo.
kritiek: kan niet gedaan worden bij mensen: ethisch onverantwoord
● Family studies: vergelijken van genen binnen de familie. Je deelt met je ouders 50%, grootouders 25%, neefjes
en nichtjes 12,5%.
○ Between Family differences: verschillen tussen families, heeft weinig invloed.
○ Within Family differences: verschillen binnen families, heeft veel invloed.
kritiek: je deelt ook dezelfde omgeving dus moeilijk om goede metingen te doen
● Twin studies: Onderzoek naar erfelijke eigenschappen bij tweelingen (Plomin)
○ Monozygotische tweelingen (MZ): eeneiig: identical twins: delen 100% van genen, 1 bevruchte eicel gaat uit
elkaar
○ Dizygotische tweelingen (DZ): tweeeiig, fraternal twins: delen 50% van genen, 2 bevruchte eicellen samen
in de baarmoeder
kritiek:
○ Equal environment assumption: aanname dat 1 en 2 eiige tweelingen in deze situaties dezelfde
overeenkomstige omgeving hebben. (eeneiige tweeling heeft vaak meer dezelfde omgeving doordat ze ook
hetzelfde worden behandeld)
○ Assumption of representativeness: aanname dat het representatief is voor de rest van bevolking.
● Adoptive studies: verschillen en overeenkomsten tussen kinderen en hun adoptieouders en met hun biologische
ouders.
○ Hoge R correlatie tussen kind en bio ouders = erfelijk
○ Hoge R correlatie tussen kind en adoptieouders = omgeving
kritiek:
○ Selective placement: kinderen kunnen worden geplaatst bij ouders die vergelijkbaar zijn met de biologische
ouders, hierdoor zou de correlatie te hoog kunnen uitvallen en worden erfelijkheid en omgeving verward
○ Adoptieouders kunnen lijken op biologische ouders; de omgeving lijkt dan in beide situaties hetzelfde en het
is niet te vergelijken: niet representatief
Formule erfelijkheid:
H= 2(rmz-rdz)
Betekent: Heritage = 2 X Monozygote (100% gelijke genen) - Dizygote (50% gelijke genen)
R= correlatie
Je haalt Rdz(50%)=omgevingsfactoren eraf en houdt 50% genetische factoren over: omgevingsfactoren
worden eruit gefilterd