Welke wet van de Gestalt principes is het meest van toepassing bij het volgende figuur met
betrekking tot het groeperen van stimuli?
A) Law of similarity
B) Law of good continuation
C) Law of pragnanz
D) Law of common fate
Vraag 2
Welke figuren worden er in het volgende plaatje meestal gezien als figure (voorgrond)
volgens de Gestalt principes?
A) In het gehele plaatje wordt het rode gedeelte als figure (voorgrond) gezien.
B) In het gehele plaatje wordt het gele gedeelte als figure (voorgrond) gezien.
C) In het linker deel van het plaatje wordt het rode gedeelte als figure (voorgrond) gezien,
in het rechter deel van het plaatje wordt het gele gedeelte als figure (voorgrond)
gezien.
D) In het linker deel van het plaatje wordt het gele gedeelte als figure (voorgrond) gezien,
in het rechter deel van het plaatje wordt het rode gedeelte als figure (voorgrond)
gezien.
, Vraag 3
Volgens welke theorie over objectherkenning herkennen we objecten op basis van
zogenaamde geonen?
A) Computational approach
B) Recognition-by-components theory
C) Feature integration theory
D) Non-accidental properties theory
Vraag 4
Marjan heeft een ongeluk gehad met als gevolg schade aan een deel van het brein in de
temporale cortex. Sinds het ongeluk heeft zij moeite met het herkennen van objecten.
Wanneer een psycholoog haar een aantal objecten toont (een daarvan is een pen) en haar
vraagt om uit deze objecten de pen te kiezen, lukt dit haar niet. Als de psychologe haar de
pen aangeeft en haar vraagt het object na te tekenen, doet zij dit zonder problemen, maar na
het tekenen kan Marjan niet vertellen wat zij heeft getekend. Als de psycholoog haar de
pen aangeeft, kan zij het object wel herkennen.
Welke vorm van Agnosia heeft Marjan?
A) Apperceptive agnosia
B) Associative agnosia
C) Prosopagnosia
D) Category specific agnosia
Vraag 5
Gegeven zijn de volgende twee stellingen:
Stelling I:
Bij alle vormen van visuele agnosia heeft de patiënt moeite met visuele objectherkenning.
Stelling II:
Het wel kunnen zien van levende dingen, maar het niet kunnen zien van levenloze dingen, zou
een voorbeeld kunnen zijn van simultagnosia.
Welk van de genoemde stellingen is waar?