Patiëntcollege
• Bij de leeftijd van 6/7 horen de centrale incisieven door te breken.
• Zeer sterk vertraagde (abnormale) ontwikkeling bovenfront → eruptiestoornis (trauma in anamnese) of afwijking in aantal
gebitselementen (agenesie of boventallige elementen).
• Fors ruimtegebrek in bovenkaak → ruimtegebrek bij de centrale incisieven is geen reden voor vertraging van de doorbraak → kan bij
cupsidaten wel.
• Esthethisch en functioneel probleem.
• Geen optimale occlusie
o Als een antagonist er niet is of ernstig is afgesleten, dan zal het element doorgroeien tot het iets tegenkomt → kan de
antagonist zijn of het kaakbot.
• Boventallige elementen kunnen er voorzorgen dat blijven elementen niet kunnen doorbreken.
o Als er een bilateraal probleem is dan zal de mediaanlijn van beide tandbogen goed blijven staan ten opzichte van elkaar.
• Consempatoire eruptie → bovenkaak wil onderkaak ontmoeten
• Dubbelzijdig probleem → relatief gunstig in doorbraak
• Dilaceratie: Kiem aangeraakt en verplaatst → als het melkelement een tik krijgt er ervoor zorgt dat het blijvende element gaat
verschuiven.
College 1
• Begrippen
o ALD → arch length discrepancy
▪ Verschil van som van mesiodistale lengte van elementen die in de boog moeten komen en de werkelijke lengte van
de boog.
• Verschil tussen beschikbare en benodigde booglente.
▪ + Positieve ALD → elementen kleiner dan booglengte → diastemen tussen elementen ontstaan → spacing.
▪ - Negatieve ALD → ruimtegebrek (meer een moment opname). Crowding: meer actief proces en anders dan
ruimtegebrek.
• De elementen zijn breder dan de lengte van de tandboog.
▪ ALD van -9 mm → fors ruimte gebrek
o Crowding
▪ Primaire crowding: van nature is de synchronisatie van dimensies van
bovenkaak en elementen niet kloppend → niet voldoende plek om
elementen later harmonisch een plek te laten krijgen.
• Ontstaat al tijdens het ontwikkelen van de elementen
• Beschikbare ruimte < benodigde ruimte.
o Genetisch bepaald.
• Vaak een optelsom van plekken waar juist ruimte over is en
ruimtegebrek is.
• Is de primaire crowding erg? → kijken naar verband met het
totaal.
o Vaak esthetische reden → schoonmaken blijft
mogelijk.
o Functionaliteit minder? → ook niet echt bekend.
o Slijtage incisaal→ komt veel voor.
o Diepe beet = beetverdieping.
o Element buiten processus en hierdoor een
beginnende recessie
▪ Op het palatum zit een bobbel met een
25.
• De beschikbare ruimte is kleiner dan de benodigde ruimte.
o Er is sprake van een genetisch bepaalde
discrepantie tussen de grootte van de
gebitselementen en de omvang van het gedeelte
van de kaak dat hen bevat.
▪ Secundaire crowding: ruimtegebrek dat ontstaat do or prematuur
verlies van melkelementen. Reeds aanwezige buurelementen migreren
met ruimtegebrek voor erupterende elementen als gevolg.
• Mesiale migratie van de eerste molaar
▪ Tertiaire crowding: alle gebitselementen hebben inclinatie naar
mesiaal met kroon. Kauwkrachten hebben verticale component en naar
mesiaal gerichte vector component (mesial component of force
(mesiaalwaartse migratie)).
• Door eigen functie hebben elementen de neiging om naar
mesiaal te neigen. Doel approximale slijtage tegen
gaan/compenseren.
• Westerse leefgewoonten → mesiale migratie. Ontstaat in het
volwassen gebit → begint al vanaf de jong volwassenheid, maar
niet bij iedereen, afhankelijk van spieren.
• Vaak onregelmatigheden in het front.
o Spacing: beschikbare ruimte groter dan benodigde ruimte.
▪ Spleetjes tussen boventanden bij patiënt.
▪ Heeft ook een relatie met eversie
, o Eversie: boventanden iets naar voren
gekipt. De kroon ligt meer naar voren
door duimzuigen, lip prob leem etc.
▪ Compensatie, onderkaak in
eversie en bovenkaak in inversie
bij klasse II waarbij onderkaak
iets naar achter ligt → komt het
meeste voor in de Westerse
bevolking.
• Door het terugliggen van de onderkaak, gaan het bovenfront een beetje
naar palatinaal en gaat het onderfront in eversie staan, omdat de tong er
tegenaan drukt om toch zijn plek in te nemen.
▪ Hierdoor ontstaat weer overbeet.
▪ Als er ergens iets
niet klopt,
ontstaan er vaker
meerdere
afwijkingen.
o Lipinterpositie: lip zit tussen
boven en onderfront en
houdt hierdoor overbeet in
stand.
o Beetverdieping
▪ Spacing, eversie
van bovenfront →
met ondertanden op tandvlees bijten → pijn.
▪ VB. patiënt heeft last van ruimtegebrek.
o Inversie
▪ Bovenelementen kiepen naar linguaal toe en onderfront ka n ook naar linguaal toe kiepen.
▪ Suprapositie: elementen te laag i.v.m lip.
▪ Bij inversie van de onderkaak vaak diepe beet en groter risico op slijtage.
• Grote spiertonus van klasse II → erg sterk in kauwgeb ied.
o Rotatie
▪ Loodrecht op occlusievlak kijken en
element loopt niet mooi mee in de
kaakboog.
▪ Plaatje:
• Mesiolabiale rotatie 21
met distopalatinale
rotatie 11
• Distaal out en mesiaal
meer in → soort
mengvorm
• Distopalatinale rotatie van
de 21 → plaatje 2.
• Extreme rotatie van premolaar → premolaar is helemaal naar binnen gedraaid.
▪ Wat is de aangedane kant van het gebit? Ideale lijn over de elementen volgen en kijken welke kant het meeste
afwijkt.
▪ Je moet altijd een goede occlusie en interdigitatie bereiken, dus hoef je niet altijd terug te roteren → dan kan je meer
schade aan doen, want tijdens het draaien worden alle elementen weg gedrukt en na het verplaatsen wil het
element weer terug naar zijn plek.
• Doel goede occlusie en articulatie krijgen bij herstellen van
rotatie.
o Kipping
▪ Mesioversie of distoversie