Paragraaf 2.
Globalisering/mondialisering is het proces waarbij de verwevenheid tussen gebieden en
samenlevingen op aarde toeneemt. Het heeft invloed op de inrichting en functie van
gebieden.
Dimensies van globalisering:
Economisch
Sociaal
Politiek
Cultureel
De motor achter de globalisering na 1990:
Multinationale ondernemingen (mno’s) → multinationals, vormen met hun
vestigingen een mondiaal netwerk (vestigen zich over de hele wereld).
Ontwikkeling van transport- en informatietechnologie, waardoor vervoer sneller en
goedkoper is. Hierdoor neemt de relatieve afstand af. Door de tijd-ruimtecompressie
wordt de wereld als een global village (wereld wordt kleiner) beschouwd.
Handelsbelemmeringen worden afgeschaft. (import heffingen)
Tijdens de speurtocht naar de beste locaties voor hun bedrijven laten mno’s zich leiden door:
1. Gunstige arbeidsmarkt → lage lonen met hoge kennis.
2. Ligging → toegankelijk.
3. Opkomst nieuwe afzetmarkten.
4. Politieke stabiliteit van een land → onrustige landen vestigen is riskant.
Veel gebieden proberen internationale bedrijven te lokken naar exportproductiezones (EPZ’s):
Lage lonen.
Gunstige vestigingsvoorwaarden.
Grote afzetmarkt.
Gevolg: binnen een land kunnen grote verschillen in ontwikkeling ontstaan.
Paragraaf 3.
De multinationals gaan met de verschillende onderdelen van hun onderneming dáár zitten
waar ze de meeste winst kunnen behalen → de productieketen (de route die een product
aflegt van grondstof tot bij de consument) van goederen wordt opgedeeld en verspreid over
veel gebieden → wereldhandel groeit sneller dan productie van goederen.
Globalisering heeft geleid tot een verandering van de internationale arbeidsverdeling:
Periferie landen → grondstoffen → nadeel: grondstof prijzen stegen veel langzamer
dan prijzen van de eindproducten, maar door de stijging van de welvaart neemt de
vraag van grondstoffen toe → prijzen stijgen. (Tot 1970)
Centrum landen → eindproducten. (Tot 1970)
, Ruilvoet is de verhouding tussen de gemiddelde prijzen van import en exportartikelen van
een land. Die was dus slecht voor de grondstof producerende landen.
De-industrialisatie is ontwikkeling waarbij de oude industriële activiteiten voor een
belangrijk deel verdwijnen in een regio → leidt tot werkloosheid en armoede.
Paragraaf 4.
Na 1990 versnelt globalisering.
Wereldhandelsorganisatie (WTO) stimuleert de vrijhandel door het afschaffen van
beperkingen zoals tariefmuren en importquota: je mag maar een beperkte hoeveelheid van
een product importeren.
1e vrije markt: NAFTA (Canada, VS, Mexico) en EU.
Transporttechnologie gaat om alle technologie die nodig is om het vervoer van grondstoffen,
goederen en mensen mogelijk te maken.
Informatie- of communicatietechnologie is technologie om uitwisseling van informatie
mogelijk te maken.
Belangrijke ontwikkelingen sinds 1980:
Reis- en vervoerstijden zijn gedaald → alles verloopt sneller.
Transport en communicatie zijn goedkoper.
Infrastructuur rond transport en data verkeer (wegen, havens etc.) is enorm
verbeterd.
De triade zijn drie kerngebieden die de wereldeconomie beheren (EU, Japan, Noord-
Amerika). Wordt bedreigd door landen in de semi-periferie, zoals Azië. Je spreekt van global
shift → verschuiven van het economische zwaartepunt in de wereld.
Voordat er handel en uitwisseling van goederen tussen twee gebieden plaatsvindt, moet er
aan 3 basisvoorwaarden zijn voldaan → interactietheorie:
1. Complementariteit → het ene gebied moet iets kunnen leveren waar in het andere
gebied vraag naar is.
2. Transporteerbaarheid → de goederen moeten tegen een redelijke prijs en binnen
een redelijke tijd vervoerd kunnen worden.
3. Er mogen geen tussenliggende mogelijkheden zijn → dichtstbijzijnde.
Oorzaken voor economische globalisering:
Vrije handel
Opkomst MNO’s
Opkomst informatie- en transporttechnologie
Beperking van de handelsbelemmeringen door invloed WTO en EU, instorten Sovjet-
Unie, toetreding China tot WTO
Gevolgen:
Sommige gebieden zijn goed met elkaar verbonden, anderen minder goed.