Paragraaf 2 – Endogeen: tektoniek, tsunami, delfstoffen
De Indonesische eilanden liggen in een ondiepe zee op het Sundaplat. Langs de
buitenranden van het Indonesische archipel → een snoer van eilanden in de open zee, liggen
de breukvlakken van een aantal platen. Verschuivingen van platen langs breuken zijn
verantwoordelijk voor vulkanisme, aardbevingen, troggen en gebergtevorming.
Een lahar is een enorme modderstroom die bij een vulkaanuitbarsting kan ontstaan als
as/lava gemengd wordt met veel water. Dit kan door:
Hevige regenval
Een kratermeer wat inscheurt
Alle sneeuw op de berg smelt door de vulkanische hitte
Water gemengd met vulkanisch as en modder stroomt naar beneden. Door ontbossing
neemt de kans op lahars toe.
Endogene krachten zijn ook verantwoordelijk voor tsunami’s. De zee kan voor de Indonesiërs
ook op een andere manier gevaarlijk zijn. De zeespiegel stijgt ten opzichte van de kust en
daardoor komen mensen in laaggelegen kustgebieden in de problemen.
In de buurt van plaatranden komen vaak edelmetalen voor. Die ertsen zijn uit de aardmantel
met het opstijgende magma meegenomen en gestold in de aardkorst. Door het afkoelen in
de regen stollen ze langzamer en zich ophopen in de holle ruimtes, ontstaan zogenaamde
ertsaders. Komt ook voor in plooiingsgebergten. In Indonesië grenzen maar liefst 4
aardkorstplaten elkaar → veel minerale grondstoffen dus (tin, koper, zwavel, nikkel, zilver,
goud). Ertsen → magma gestold in aardkorst
Indonesië is ook rijk aan fossiele energiebronnen → delfstoffen. Deze zijn ontstaan uit de
resten van planten en minuscule diertjes (organismen). In vele jaren tijd is dat materiaal
onder hoge temperatuur en hoge druk omgezet in steenkool, aardolie en aardgas.
Deze delfstoffen worden vaak aangetroffen op een continentaal plaat. Fossiele brandstoffen
→ planten en dierenresten, zoals plankton of veen.
Paragraaf 3 – Exogeen: klimaten, landschapszones en landbouw
De 13000 Indonesische eilanden liggen aan weerszijden van de evenaar en heeft vooral
tropische klimaten. Gemiddelde temperatuur in koudste maand boven 18 graden, behalve in
de bergen. In een gebied met tropisch regenwoudklimaat (Af) is het hele jaar door vochtig
en hangt een klamme hitte. Bacteriën en schimmels gedijen goed in deze warme, vochtige
omgeving. In het oostelijk deel van Indonesië komt het savanneklimaat (Aw) voor. Variant
hierop is het moessonklimaat (Am). In een droge tijd valt dan nog net genoeg neerslag voor
een dun begroeid woud. Ze kennen gedurende het jaar een droge en een natte tijd. De
afwisseling wordt veroorzaakt door de halfjaarlijks van richting veranderde moessonwinden.
De regentijd wordt de natte moesson genoemd. In een Aw-klimaat valt de droge tijd in de
winter van dat gebied en de natte tijd in de zomer.
, Indonesië ligt dus in een tropische landschapszone:
1. In het westelijk deel (Af klimaat) → dicht tropisch regenwoud. Het is hier vochtig. De
meeste processen gaan snel door hoge temperaturen, hoge vochtigheid en continu
groeiseizoen. Ook is er grote diversiteit (bomen).
2. In het drogere oostelijke deel (Aw klimaat) → licht tropisch oerwoud (minder bomen
per hectare) of een savanne (grasvlakte met boomgroepen).
3. Slibrijke kusten → mangrovebos (bomen staan met hun lange wortels in het zoute
water).
4. In de bergen → vegetatiegordels veranderen met de hoogte.
Veel van oorspronkelijke plantengroei is verdwenen (landbouw, woningbouw,
infrastructuur). Ook door ontbossing voor export van hardhout en aanleg van plantages.
Op Java en Bali zijn vruchtbare bodems door vulkanische- en rivierafzettingen. Dit met een
vochtige, warme klimaat → hoogproductieve intensieve rijstverbouw.
Af klimaat → veel neerslag → droge rijstbouw (je hoeft namelijk nikst te bevloeien).
Aw klimaat → weinig neerslag → natte rijstbouw (je moet irrigeren).
Sawa → door dijkjes omgeven akkers in de tropen, die regelmatig bevloeid worden (meestal
voor rijst). Naast intensieve rijstbouw ook extensieve rijstbouw in gebieden die van nature
niet zo geschikt zijn voor landbouw. (inheemse volken die van bosvruchten en jacht leven in
Borneo). Door onvruchtbare bodem daar kunnen ze alleen geringe bevolkingsdruk
verdragen.
Paragraaf 4 – Bevolkingsgroei en migratie
Java heeft een hoge bevolkingsdichtheid door de bodemvruchtbaarheid en de
beschikbaarheid van irrigatiewater.
Sinds de onafhankelijkheid is het sterftecijfer gedaald, waardoor de bevolking groeide. Door
een door de overheid gesteund programma voor gezinsplanning is de groei minder snel. De
natuurlijke bevolkingsgroei → verschil in geboorte- en sterftecijfer, nam af. Het succes van
gezinsplanning is te danken aan:
goede voorlichting
ruime beschikbaarheid van anticonceptiemiddelen en gezondheidsklinieken
de afname van de armoede
het verbeterde onderwijs, vooral voor meisjes
de toegenomen verstedelijking
Java meest succesvol in verlagen geboortecijfer. Er is een verband tussen de mate van
economische ontwikkeling en de positie die een land inneemt in het demografisch
transitiemodel, maar in Maleisië en de Filippijnen nog steeds hoge geboortecijfers door
Islam en Katholicisme.
Bij sociale bevolkingsgroei → de groei of afname van een bevolking door vestiging en
vertrek, kun je onderscheid maken tussen binnenlandse en buitenlandse migratie. Voor
beide geldt er selectieve migratie → het verschijnsel dat niet alle groepen van de bevolking
in gelijke mate deelnemen aan de migratie.