voor de hulpverlening aan
kinderen en adolescenten -
Begrippenlijst
Inhoud
Wat is de plaats van diagnostiek binnen het hulpverleningsproces? - CH.1.......................................2
Wat zijn theoretische aspecten van diagnostiek? - CH.2....................................................................4
Wat valt bij psychodiagnostisch onderzoek onder systematische gedragsobservatie? – CH.5...........7
Welke diagnostische vragenlijsten zijn er voor het vaststellen van emotionele en
gedragsproblemen? – CH.6................................................................................................................8
Wat houdt individueel testonderzoek bij kinderen in binnen het kader van diagnostiek? – CH.7. . .11
Hoe valt gezinsfunctioneren te diagnosticeren? - CH.9....................................................................13
Wat houdt diagnostisch intelligentieonderzoek in? – CH.11............................................................16
Valt leergeschiktheid te diagnosticeren d.m.v. leertests en onderwijs? - CH.12..............................21
Wat houdt diagnostiek van de sociaal-emotionele ontwikkeling in? - CH.13...................................24
Wat houdt taaldiagnostiek in? CH.14...............................................................................................28
Wat houdt diagnostiek van het motorisch functioneren in? - CH.15................................................30
Hoe zet de ontwikkelingsneuropsychologische benadering 'diagnostiek' uiteen? - CH.16...............32
1
,Wat is de plaats van diagnostiek binnen het
hulpverleningsproces? - CH.1
Doel van hulpverlening Empowerment: het helpen van de hulpvrager bij het optimaal
benutten van de eigen mogelijkheden.
Diagnostiek Heeft als doel om mogelijke verklaringen voor het ontstaan en
voortbestaan van psychosociale problemen te zoeken en te toetsen.
Eisen:
- Betrouwbaar
- valide
Soorten diagnostiek - Onderkennend (vermoedens van problemen bevestigen of
ontkrachten)
- Verklarend (hypothesen over causale verbanden bevestigen
of ontkrachten)
- Indicerend (behandeldoelen formuleren).
Screeningsonderzoek Dit vindt aan het begin van het hulpverleningsproces plaats, noemt
meen ook wel beschrijvende diagnostiek.
Onderkennende Hierbij wordt met behulp van diverse onderzoeksmiddelen nagegaan
diagnostiek of bepaalde problemen aanwezig zijn.
Assessment Als uit het screeningsonderzoek blijkt dat nader onderzoek nodig is,
wordt de overstap gemaakt naar gericht onderzoek. Dit noemt men
assessment.
Empirische cyclus Bestaat uit vijf fasen:
1. Observatie
2. Inductie
3. Deductie en operationalisering
4. Toetsing
5. Evaluatie
Doel: de stapsgewijze toetsing van de juistheid van hypothesen, die
ten grondslag liggen aan de hulpverlening
Regulatieve cyclus Bestaat uit zes fasen:
1. Probleemherkenning
2. Probleemdefiniëring
3. Interventie bepalen
4. Interventie plannen
5. Interventie uitvoeren
6. Effecten evalueren
Doel: het stapsgewijs bereiken van doelen bij het oplossen van
problemen.
Monitoring/ evaluatieve De gekozen interventie wordt uitgevoerd en er wordt onderzocht
diagnostiek welke effecten deze heeft.
Routine outcome Er worden in toenemende mate vaste protocollen ontwikkeld om de
monitoring effecten van hulpverlening te meten.
(onstaans)theorie of De oorzaak van het probleem
probleemdefinitie
Expliciteren De hulpverlener moet in staat zijn om tegenover zowel collega’s als de
hulpvrager uit te kunnen leggen wat hij doet en waarom.
2
,Gescheiden ouders met
hulpvraag Als een alleenstaande ouder om hulp vraagt voor een kind, is het
noodzakelijk om na te gaan of er nog een tweede gezagdragende
ouder is wiens toestemming is vereist. Iemand die geen ouderlijk
gezag heeft, maar wel recht heeft op omgang, hoeft geen
toestemming te geven, maar heeft wel recht op informatie over
belangrijke feiten en omstandigheden met betrekking tot het kind.
Culturele diversiteit
Culturele diversiteit vraagt om interculturele competenties van de
hulpverlener. Daarnaast komen er technische vraagstukken uit voort:
de taalbarrière, de onderkenning van stoornissen, en de
toepasbaarheid van onderzoeksinstrumenten.
Beroepsrichtlijnen
Beroepsethische richtlijnen kunnen behulpzaam zijn wanneer er
morele dilemma’s ontstaan
3
, Wat zijn theoretische aspecten van diagnostiek? - CH.2
Psychodiagnostiek Psychodiagnostiek is een hypothese toetsende benadering van een
individueel geval. Op grond van waarnemingen van de diagnosticus
worden hypothesen geformuleerd op basis van theorie, die met
onderzoeksinstrumenten worden getoetst.
Multidisciplinair Bij multidisciplinair onderzoek wordt de uitvoering van de empirische
onderzoek cyclus gespreid over meerdere diagnostici, die ieder hun eigen
theoretische kader hanteren. Coördinatie en samenwerking is hierbij
van groot belang.
Evidence-based practice Evidence-based practice is de combinatie van evidence-based
assessment (verklaren van problemen op basis van een
probleemgerichte theorie) en evidence-based behandeling (een
behandeling die bewezen effectief is).
Evidence-based Betreft het verklaren op basis van een probleemgerichte theorie.
assessment
Evidence-based Verwijst naar het kiezen van een aanpak die bewezen effectief is:
behandeling wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een bepaalde
aanpak bij een bepaalde groep hulpvragers meer effect had dan een
andere behandeling.
Practice-based evidence Practice-based evidence ontstaat door eigen behandelingen
systematisch te evalueren.
Algemene theorieën Verklaren het cognitief, psychisch en sociaal functioneren van mensen
of het functioneren van systemen.
Ontwikkelingstheorieën Verhelderen specifieke ontwikkelingslijnen, zoals de
gehechtheidstheorie.
Probleemgerichte Verklaren het ontstaan en de instandhouding van specifieke
theorieën problemen. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt van kennis uit de
algemene en ontwikkelingstheorieën.
Diagnostiek in psychiatrie Binnen de psychiatrie is diagnostiek gericht op het onderkennen van
psychopathologie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen classificatie
(concluderen dat een bepaald toestandsbeeld aanwezig is bij een
individu) en diagnostiek (een mogelijk aanwezige causaliteit
onderzoeken).
DSM De ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ (DSM) is
een multi-axiaal systeem, bestond voorheen uit vijf assen: I. Klinische
stoornissen, II. Persoonlijkheidsstoornissen en zwakzinnigheid, III.
Somatische aandoeningen, IV. Psychosociale en
omgevingsproblemen, V. Algehele beoordeling van het functioneren.
In de recentelijk verschenen DSM-V wordt het assensysteem niet
meer gebruikt.
CAP-J Voor gevallen die niet ernstig genoeg zijn voor een DSM classificatie,
maar wel behandeling nodig wordt geacht, is in Nederland het CAP-J
ontstaan. Voor zeer jonge kinderen is specifiek onderzoek vereist. Er
is voor deze groep een specifiek classificatiesysteem: de DC:0-3R. De
validiteit van classificatiesystemen in termen van aanwijzingen voor
indicatiestelling laat tot op heden nog te wensen over.
Comorbiditeit Comorbiditeit is het verschijnsel dat bij één persoon meerdere
stoornissen voorkomen.
4