H o o f d s t u k 3
3.1 De Renaissance
- veranderend mens- en wereldbeeld
- zichzelf centraal stellen
- uomo universale: de algemeen ontwikkelde mens
- humanisme: belangstelling van geleerden voor antieke literatuur, poëzie
&
- geschiedenis
- begin van Renaissance in Italië
- zelfstandige stadstaten
- veel restanten gevonden in Italië
- door boekdrukkunst kon nieuw denkbeeld snel worden verspreid
3.2 Europeanen ontdekken de wereld
- Steeds meer Europeanen gingen op ontdekkingsreizen, dit had meerdere
oorzaken:
- handelsroutes via Aziatische vasteland werd minder toegankelijk
- ineenstorting van het Mongoolse rijk
- Ottomaanse Rijk vroeg steeds hogere handelsbelasting
- technische verbeteringen (andere manier van bouwen, betere
instrumenten etc,)
- bekeren van andere volken door christelijke vorsten
- door ontdekkingsreizen werden nieuwe gebieden en volken ontdekt
- volken werden als ‘minder ontwikkeld’ en ‘dom’ gezien
- ontdekkingsreizen hadden veel gevolgen
- religieus: christendom verspreidde zich over de hele wereld
- economisch: er ontstond een wereldeconomie
- demografisch: hele koninkrijken verdwenen in Amerika & grote aantallen
Afrikanen
- moesten verplaatsen
3.3 De reformatie
- Luther kreeg kritiek op Christelijke kerk op 4 aspecten
- aflaatbrieven: kwijtschelding van zonden
- heiligenverering: heiligenverering is afgoderij
- sacramenten: er moesten maar 3 sacramenten zijn (i.p.v. 7)
- organisatie van de kerk: paus eigende gezag toe dat aan god
toebehoorde
- kritiek was belangrijk moment in reformatie (= hervorming)
- Luther wilde kerk van binnenuit hervormen, maar kerk wilde dat niet --> Kerk
ging Luther
en gelijkgestemden vervolgen --> zorgde voor splitsing binnen christelijke kerk
- er kwamen nieuwe kerken (Lutheranisme & Calvinisme) met eigen regels -->
protestantisme
- gereformeerde/hervormde kerken
- reactie van kerk op protestantisme: Contrareformatie (concilie van Trente)
- geloof van vorst werd bepalend voor onderdanen
- landen/steden kozen allemaal eigen geloof
,- er ontstonden allerlei godsdienstoorlogen
, Hoofdstuk 4
H o o f d s t u k 4
4.1 De opstand in Europees perspectief
- Frankrijk: 16e en 17e eeuw godsdiensttwisten
- Franse adel was verdeeld over calvinisme en katholicisme --> zorgde voor
uitbarsting
- Duitse rijk: verschillende geloven
- elke vorst eigen religie en onderdanen zouden hem volgen
- 1618: godsdienstoorlogen, 1648: vrede --> vorsten werden hersteld in
macht
- Nederlanden: behoorde tot Spanje
- strenge kettervervolging
- centralisatiepolitiek
- 80-jarige oorlog was godsdienstoorlog (Afbeelding 1)
- veel discussies over geloof --> opstand (beeldenstorm)
- noordelijke en zuidelijke Nederlanden splitste en kregen eigen
regels
4.2 Een bijzondere bestuursvorm
- Nederland had bijzondere bestuursvorm t.o.v. andere landen (afbeelding 2)
- Nederland had geen vorst, maar soevereiniteit kwam bij gewestelijke staten
(besturen van gewesten)
- elk gewest behield privileges & handelde eigen zaken af in vergadering
van gewestelijke staten
(Statenvergadering)
- republiek was samenwerkingsverband van 7 afzonderlijke gewesten -->
vertegenwoordigers kwamen samen in
Staten-Generaal (beslisten samen over buitenlandse politiek, defensie,
belastingen en geschillen onderling)
- Holland had meeste invloed --> was grootste gewest
- regenten regeerde, maar adel had officieel bevoorrechtte positie
- staten lieten zich bijstaan door raadpensionaris (juridisch geschoolde
ambtenaar) & stadhouder (leger-
aanvoerder + andere taken)
- hadden onderling veel strijd (bv. Willem III & Johan de Witt)
- volk wilde Willem III als stadhouder
- republiek kwam in oorlog met Spanje, mensen vonden dat schud
van Johan de Witt --> werd
samen met zijn broer vermoord en Willem III was benoemd als
stadhouder
- Frankrijk had wel centralisatie, Engeland had deels centralisatie (koningen
regeerde met instemming)
4.3 Internationale handel
- republiek kreeg economische bloei door hout-, zout- en graanhandel, technische
uitvindingen (fluitschip,
houtzaagmolen en haringbuis) en specialisatiegraad
- bloeiende economie kwam ook door VOC --> had monopolie op handel
met Azië (specerijen, textiel en