Hoofdstuk 3 Consumentengedrag als context
§3.1 Consumptie
Basisbehoeften Onderdak, voedsel en kleding
Schaarste De hoeveelheid waarin een product aanwezig is
Intertemporele ruil Je ruilt een consumptie in om het pas in de toekomst te gebruiken
(sparen)
Primaire goederen Weinig eisen voor prijs en kwaliteit
Secundaire goederenVeel eisen voor prijs en kwaliteit
Inferieure goederen Goederen die meer worden gekocht als het inkomen stijgt tot punt ‘x’
en dan afneemt (top parabool)
Negatief inkomenseffect Bij inferieure goederen, als je inkomen stijgt ga je minder
consumeren.
Substitutie goederen Vervangt elkaar (de een te duur, dan pak je de ander)
Voorbeeld: koffie en thee
Complementaire goederen Vullen elkaar aan (vraag de ene daalt, dan de ander ook)
Voorbeeld: auto en benzine
§3.2 Consumentisme
Asymmetrische informatie Wanneer een van de partijen (winkel) meer van een product af
weet dan de (consument) ander (ander voorbeeld = sollicitatie)
Consumentisme Groep die de belangen van de consument vertegenwoordigd
Voorbeeld: de Consumentenbond (NL), ANWB voor automobilisten
§3.3 Consumentenbeleid door de overheid
De overheid heeft verschillende wettelijke regelingen gesteld om de consument te
beschermen, zoals...
- Wet Koop op afstand (internetaankopen)
- De Colportagewet (aan-de-deur-verkopen tegen gaan)
Merit-goederen Bemoeigoederen, de overheid verstrekt subsidies om de prijzen te
verlagen
Voorbeeld: musea, bibliotheken of natuurgebieden
Dement-goederen Ontmoedigingsgoederen, de overheid heeft accijnzen
(verbruiksbelastingen) om het duurdere te maken
, Voorbeeld: sigaretten, benzine, alcohol
§3.4 Inkomensvorming
Dividend Een deel van de gemaakte winst
Voorbeeld: aandelen
Primaire inkomens Loon, pacht, huur, rente of winst
Overdrachtsinkomens Geld van de overheid die werkgevers én werknemers betalen
als de belasting
Voorbeeld: sociale uitkeringen, huursubsidie
Koopkracht Wat je werkelijk kan kopen op basis van inkomen en prijsniveau
Geldontwaarding Door inflatie wordt geld minder waard.
Berekening geldontwaarding: = (nieuw - oud) / oud x100% = prijsdaling of -stijging
Prijscompensatie/indexatie Lonen worden aangepast als de prijzen heel erg stijgen
§3.5 Het looninkomen
Brutosalaris Salaris inclusief belasting en sociale premies
Nettosalaris Salaris wat de werknemer krijgt
Loonbelasting Bedrag dat je betaalt aan de belastingdienst voor ambtenaren,
gebouwen, wegen, etc.
Loonheffing Inkomstenheffing = loonbelasting + premies volksverzekeringen
Loonkosten Arbeidskosten, bedrag dat werkgever voor een werknemer betaalt
Wig Sociale premies + loonbelasting
Het verschil tussen loonkosten en nettoloon
- Wg Werkgeversdeel: sociale premies, pensioenpremies, de extra kosten bovenop
het brutoloon
- Wn Werknemersdeel: loonbelasting, sociale premies, volksverzekeringen,
pensioenpremie
Dit wordt van het brutoloon afgehaald
§3.6 Sparen en pensioen
Intertemporele ruil Een consumptie nu inwisselen voor een consumptie later
Intertemporele substitutie Een deel van de consumptie inleveren voor een consumptie
later
§3.1 Consumptie
Basisbehoeften Onderdak, voedsel en kleding
Schaarste De hoeveelheid waarin een product aanwezig is
Intertemporele ruil Je ruilt een consumptie in om het pas in de toekomst te gebruiken
(sparen)
Primaire goederen Weinig eisen voor prijs en kwaliteit
Secundaire goederenVeel eisen voor prijs en kwaliteit
Inferieure goederen Goederen die meer worden gekocht als het inkomen stijgt tot punt ‘x’
en dan afneemt (top parabool)
Negatief inkomenseffect Bij inferieure goederen, als je inkomen stijgt ga je minder
consumeren.
Substitutie goederen Vervangt elkaar (de een te duur, dan pak je de ander)
Voorbeeld: koffie en thee
Complementaire goederen Vullen elkaar aan (vraag de ene daalt, dan de ander ook)
Voorbeeld: auto en benzine
§3.2 Consumentisme
Asymmetrische informatie Wanneer een van de partijen (winkel) meer van een product af
weet dan de (consument) ander (ander voorbeeld = sollicitatie)
Consumentisme Groep die de belangen van de consument vertegenwoordigd
Voorbeeld: de Consumentenbond (NL), ANWB voor automobilisten
§3.3 Consumentenbeleid door de overheid
De overheid heeft verschillende wettelijke regelingen gesteld om de consument te
beschermen, zoals...
- Wet Koop op afstand (internetaankopen)
- De Colportagewet (aan-de-deur-verkopen tegen gaan)
Merit-goederen Bemoeigoederen, de overheid verstrekt subsidies om de prijzen te
verlagen
Voorbeeld: musea, bibliotheken of natuurgebieden
Dement-goederen Ontmoedigingsgoederen, de overheid heeft accijnzen
(verbruiksbelastingen) om het duurdere te maken
, Voorbeeld: sigaretten, benzine, alcohol
§3.4 Inkomensvorming
Dividend Een deel van de gemaakte winst
Voorbeeld: aandelen
Primaire inkomens Loon, pacht, huur, rente of winst
Overdrachtsinkomens Geld van de overheid die werkgevers én werknemers betalen
als de belasting
Voorbeeld: sociale uitkeringen, huursubsidie
Koopkracht Wat je werkelijk kan kopen op basis van inkomen en prijsniveau
Geldontwaarding Door inflatie wordt geld minder waard.
Berekening geldontwaarding: = (nieuw - oud) / oud x100% = prijsdaling of -stijging
Prijscompensatie/indexatie Lonen worden aangepast als de prijzen heel erg stijgen
§3.5 Het looninkomen
Brutosalaris Salaris inclusief belasting en sociale premies
Nettosalaris Salaris wat de werknemer krijgt
Loonbelasting Bedrag dat je betaalt aan de belastingdienst voor ambtenaren,
gebouwen, wegen, etc.
Loonheffing Inkomstenheffing = loonbelasting + premies volksverzekeringen
Loonkosten Arbeidskosten, bedrag dat werkgever voor een werknemer betaalt
Wig Sociale premies + loonbelasting
Het verschil tussen loonkosten en nettoloon
- Wg Werkgeversdeel: sociale premies, pensioenpremies, de extra kosten bovenop
het brutoloon
- Wn Werknemersdeel: loonbelasting, sociale premies, volksverzekeringen,
pensioenpremie
Dit wordt van het brutoloon afgehaald
§3.6 Sparen en pensioen
Intertemporele ruil Een consumptie nu inwisselen voor een consumptie later
Intertemporele substitutie Een deel van de consumptie inleveren voor een consumptie
later