Week 1: inleiding pathologie
De student kan de begrippen ‘pathologie’ en ‘orthopedie’ definiëren.
- Pathologie: ziekteleer
- Orthopedie: de leer die zich bezighoudt met aandoeningen aan het bewegingsapparaat
o Preventie: primair, secundair en tertiair
o Curatie: genezen
o Palliatie: zorgen dat de levenskwaliteit niet te ver achteruit gaat, bij ziekten die niet
meer overgaan
De student kan de indeling in ontstaanswijze van orthopedische aandoeningen benoemen.
- Congenitaal: aangeboren
o Lokalisatie: gegeneraliseerd of regio specifiek/ lokaal
o Erfelijk: aangeboren afwijkingen overgebracht door DNA
o Niet erfelijk: er is iets gebeurd tijdens de zwangerschap, waardoor het kind
aangedaan is
- Verworven: gedurende het leven ontstaan
o Trauma: in een keer een heftige overbelasting
o Surmenage: geleidelijke overbelasting
o Idiopathisch: onbekende oorzaak (primaire idiopathische aandoening = oorzaak is
onbekend, secundair = oorzaak is bekend)
De student kan beschrijven wat de verschillende kenmerken (bijv. etiologie etc.) zijn van een
pathologie.
- Epidemiologie: de leer van hoe vaak iets voorkomt
o Incidentie: aantal nieuwe gevallen, tijd, aantal mensen
o Prevalentie: aantal gevallen, aantal mensen op een specifiek moment
- Etiologie en risicofactoren: leer van de oorzaak
o Intern: factoren die aan de patiënt gekoppeld zijn (osteoporose, laxiteit etc.)
o Extern: factoren buiten de patiënt (schoeisel, veld, toetsenbord)
- Pathofysiologie: wat gaat er fysiologisch mis bij een pathologie
- Symptomatologie:
o Klinisch beeld: ziekte verschijnselen
o Klinische tekenen: laboratorium/ beeldvormend onderzoek
- Beloop en prognostische factoren: herstelbevorderend/ herstelbelemmerend
- Behandeling: fysiotherapeutisch of overig
De student kan de betekenis van de termen uit de bijlage ‘medische termen’ benoemen.
Etiologie = de leer der ziekte oorzaken
Risicofactoren = omstandigheden die een ongunstige invloed uitoefenen op het ontstaan van
een ziekte
Pathogenese =
Symptomatologie = het totaal der verschijnselen van een bepaald ziektebeeld
Klinisch beeld = subjectieve en objectieve presentatie de aandoening bij een patiënt
Klinische tekenen/ = ziekteverschijnselen die vastgesteld kunnen worden door bijv. laboratorium-
semeions onderzoek of beeldvormend onderzoek
Prognose = voorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte
Beloop = beloop van een ziekte over de tijd
Prognostische
factoren = factoren die verantwoordelijk zijn voor een (positieve-/negatieve)
verandering in het verloop van een aandoening
Congenitaal = aangeboren
,
, a- = niet post- = na
an- = niet pre- = voor
algie- = pijn re- = opnieuw
auto- = zelf sclero- = hard
brady- = traag sub- = onder
brachy- = kort supra- = boven
di- = dubbel tachy- = snel
dia- = door; afzonderlijk; tussen uni- = één
dys- = moeilijk; slecht -algie = pijn
epi- = op; boven -ase = enzym
ery- = rood -cide = dodend
extra- = buiten; behalve; cyt = cel
bovendien -ectasie = verwijding
haem- = bloed -ectomie = uitsnijding (geheel)
hem- = bloed -ese = toestand of vermogen
hemi- = half -geen = achtervoegsel in
hydro- = water woordverbindingen die een herkomst aangeven
hyper- = veel; hoog -grafie = afbeelden; schrijven
hypo- = weinig; laag -itis = ontsteking
infra- = onder -logie = leer van een wetenschap
intra- = in; binnen -oom = gezwelvorming
inter- = tussen -oma = gezwelvorming
leuco- = wit -ose = aandoening
lipo- = vet -pexie = fixatie; aanhechting
mal- = kwaad; ziekte -plegie = met betrekking tot verlamming
mono- = één -resectie = uitsnijding (gedeeltelijk)
myo- = spier -scopie = bekijken; inspecteren
neo- = nieuw -sectie = openen
oligo- = weinig -tomie = snijden
path- = ziekte os = bot
per- = doorheen cranium = schedel
peri- = rondom thorax = borstkas
pluri- = veel (soortig) abdomen = buik
poly- = veel extremiteiten = ledematen