Theorie: Ontwikkeling/Opvoeding
Ontwikkelingspsychologie: kijkt naar welke ontwikkeling te verwachten is en welke patronen
je erin herkent. Het bestudeert dus de groei, verandering en consistentie gedurende de
levensloop.
Wat we weten bij het ontstaan van veel ontwikkelingsproblematiek is dat het niet een oorzaak
heeft. Er is interactie tussen genen en opvoeding. Opvoeding van vroeger is dus erg bepalend
hoe een kind uitkomt; nature-nurturedebat
- Hoofdeffecten: effect van een variabele; opvoeding moeder
- Interactie-effecten: effect van meerdere variabelen
Om de nature-nurture te onderzoeken wordt er vaak gebruik gemaakt van
tweelingenonderzoek. Die hebben namelijk dezelfde genen maar ook dezelfde opvoeding.
Zuigelingentijd (Infancy)
Tot 18 -24 maanden → taalvaardig (volledige zinnen uitspreken)
Gevoelige perioden; eerste 2 jaar zijn gevoelige periodes voor het ontwikkelen van
taal en emoties. Later op het leven heeft de gevoelige periode veel effect op een
persoon.
Ontwikkeling hersenen: snoeien en groeien dat betekent verbinden die veel gebruikt
worden versterkt worden, en die minder gebruikt wordt verzwakt. Breinvolume neemt
ook toe in eerste 2 jaar (50% in eerste 2 jaar)
Biologisch schema ‘Rijpingstheorie’
,Contactsteun; erg grote en belangrijke onderzoek
Eriksons psychosociale stadia: “We hebben in ons leven verschillende fases, en in elke fases
is er een behoefte aan specifieke vaardigheden om te ontwikkelen”
Fase Crisis
Zuigeling (0 - 1,5 jaar) Vertrouwen vs. Wantrouwen
Peuter (1,5 – 3 jaar) Autonomie vs. Schaamte/Twijfel
Kleuter (3 – 6 jaar) Inititiatief vs. Schuld
Schoolkind (6 jaar – puberteit) Vlijt vs. Minderwaardigheid Fase zuigeling (0 –
1,5 jaar) –
Vertrouwen vs.
Adolescentie Identiteit vs. Rolverwarring Wantrouwen:
Hechting
Vroege volwassenheid Intimiteit vs. Isolement
1. Veilige
hechting 65%
Middelbare leeftijd Generativiteit vs. Stagnatie
2. Angstig –
ambivalente
Ouderdom Integriteit vs. Wanhoop hechting 20%
11 3. Angstig –
vermijdende
hechting 15%
4. Gedesorganiseerd en desoriënterende hechting (= combinatie van 2 en 3) 10 tot 15%
Invloed op hechting; combinatie van verschillende factoren
Kenmerken kind
o Temperament (rol van amygdala)
, o Verstandelijke/lichamelijke beperking
o Ontwikkelingsstoornis
o Vroeggeboorte
Kenmerken ouder
Sensitiviteit ouders (!!!)
Ontwikkelingsgeschiedenis; hoe is een ouder zelf gehecht
Bepaalde persoonskenmerken
Psychische gesteldheid, verslavingsproblematiek
Iets anders wat mee speelt naast de eigenschappen is de opvoedstijl die ouders hanteren:
Opvoedstijlen kan je onderverdelen in 2 factoren:
Emotionele betrokkenheid
Mate van regels
Deze 2 factoren zijn ook onderverdeeld in 4 stijlen
- Autoritair
- Autoritatief
- Permissief
- Onverschillig
Stijl Emotionele Autoriteit Autonomie Persoonlijkheid kind
betrokkenheid (van kind)
Autoritair - ++ -- Nerveus, onzeker
→asociaal gedrag neem
toe wanneer onveilig
gehecht
Autoritatief + + -/+ Zelfvertrouwen,
zelfstandig, enthousiast
Permissief + - + Minder volwassen,
impulsief, afhankelijk,
Onverschillig - -- ++ veeleisend
“Goodness of fit”; het verschilt per kind welke opvoedstijl nodig is.