8.1 Inleiding
Veel jonge mensen beginnen middelen te gebruiken onder invloed van groepsgenoten, algemene
beschikbaarheid; het kan een uiting zijn van rebellie of juist conformeren. Een eenduidige relatie is er
meestal niet, vaak zijn het diverse factoren bij elkaar die de stap van experimenteren naar werkelijk
verslaafd veroorzaken.
8.2 Aan middelen en verslaving gerelateerde stoornissen
In de DSM-5 worden twee categorieën van middelgerelateerde stoornissen gehanteerd:
- Stoornissen door een middel teweeggebracht
De eerste categorie behelst afwijkende gedragspatronen als gevolg van het gebruik van
psychoactieve middelen. Twee belangrijke typen hiervan zijn intoxicatie en onttrekkingssyndroom.
- Stoornissen in het gebruik van middelen
Dit zijn patronen van maladaptief gebruik van psychoactieve stoffen die leiden tot een aanzienlijk
belemmerd functioneren of persoonlijk lijden (verslavingsstoornis).
Intoxicatie is een toestand waarin de hersens zo zijn beïnvloed door het middel dat ze niet meer
adequaat kunnen functioneren. In bepaalde gevallen kan intoxicatie tot de dood leiden.
Onttrekkingssyndroom is een door middel teweeggebrachte stoornis waarbij een combinatie van
symptomen optreedt wanneer iemand – na een lange periode van intensief gebruik – abrupt stopt
met het gebruik van dat middel. Het herhaald gebruiken van een middel leidt tot een verandering
van de fysiologische reacties, die tolerantie en een duidelijk omschreven onttrekkingssyndroom tot
gevolg kunnen hebben. Tolerantie is een toestand van fysieke gewenning aan een middel als gevolg
van frequent gebruik, zodat steeds hogere doses nodig zijn om eenzelfde effect te bereiken als
voorheen. Onttrekkingssymptomen verschillen per middel.
Verslavingsstoornissen zijn patronen van inadequaat gebruik van psychoactieve stoffen en daaruit
vloeiend (sociaal) gedrag.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen fysiologische en psychologische afhankelijkheid.
Fysiologische afhankelijkheid betekent dat het lichaam als gevolg van het regelmatige gebruik van
een psychoactieve stof zodanig is veranderd dat het afhankelijk is geworden van een constante
toevoer van de stof. De belangrijkste tekenen van fysiologische afhankelijkheid zijn het ontstaan van
tolerante en onthoudingsverschijnselen. Psychologische afhankelijkheid is het dwangmatig gebruik
van een stof om in een psychologische behoefte te voorzien: iemand is bijvoorbeeld afhankelijk van
een middel om met stress te kunnen omgaan. Regelmatig of langdurig gebruik van bepaalde
middelen kan leiden tot een onttrekkingssyndroom, een reeks psychologische en lichamelijke
symptomen die volgen op het abrupt stoppen met het gebruik van het middel.
8.3 Gebruik en misbruik
De DSM-5 legt de grens van gebruik en misbruik daar waar het gebruik een aanzienlijke belemmering
in het dagelijks functioneren op een bepaald terrein oplevert.
Prevalentie
Stoornissen in het gebruik van middelen komen in onze samenleving helaas veel voor. Ongeveer één
, op de tien volwassenen, circa 30% van de mannen en circa 7,5% van de vrouwen ontwikkelt op een
bepaald moment in zijn of haar leven een middelenstoornis (alcoholmisbruik komt het meeste voor).
Mensen kunnen tegelijkertijd meer dan één psychoactieve stof gebruiken of daarvan afhankelijk
worden (polydruggebruik).
Hoewel de overgang naar afhankelijkheid van een middel van persoon tot persoon verschilt, is er een
algemene route te beschrijven, die uit de volgende stadia bestaat:
Experimenteren
Regelmatig gebruik
Drugs wordt steeds meer een prioriteit in het leven. Liegen en manipuleren wordt een
manier van leven om het drugsgebruik te verbergen.
Verslaving (patroon van herhaald gebruik dat schadelijke gevolgen heeft)
Afhankelijkheid. De persoon kan geen weerstand meer bieden tegen het middel. Zij willen
het fijne effect ervaren of juist de gevolgen van onthouding vermijden.
Niet-middelgerelateerde vormen van verslaving en andere vormen van compulsief gedrag
In de DSM-5 is een nieuwe diagnostische categorie opgenomen, middelgerelateerde en
verslavingsstoornissen, waaronder zowel stoornissen gerelateerd aan het gebruik van middelen als
gokstoornis vallen.
Uitleg van de terminologie
Drugsmisbruik is het voortdurende gebruik van een psychoactief middel ondanks de wetenschap dat
dit een sociaal, beroepsmatig, psychologisch of lichamelijk probleem veroorzaakt.
Afhankelijkheid is een verminderde controle over het gebruik van een psychoactief middel; vaak
gekenmerkt door fysiologische afhankelijkheid.
8.4 Verslavende middelen
Drugs worden meestal in drie grote groepen ingedeeld: dempende middelen of depressiva zoals
alcohol en opiaten (heroïne en morfine), stimulantia zoals amfetaminen en cocaïne en hallucinogene
middelen.
8.4.1 Dempende middelen
Dempende middelen is een stof die de activiteit van het centraal zenuwstelsel vertraagt of afremt en
daarmee emoties van spanning en angst vermindert, bewegingen vertraagt en cognitieve processen
afremt. In hoge doses kunnen dempende middelen vitale functies remmen en de dood veroorzaken.
Enkele middelen, zoals heroïne, veroorzaken een kortdurende ‘kick’, een intense genotservaring.
Alcohol
Alcoholisme is de afhankelijkheid van of verslaving aan alcohol die leidt tot ernstige persoonlijke,
sociale en beroepsmatige of gezondheidsproblemen.
Risicofactoren voor alcoholisme:
- Geslacht
Mannen hebben meer dan twee keer zo grote kans als vrouwen. Het blijkt dat de hoeveelheid van
het enzym dat alcohol in de maag afbreekt, bij de vrouw kleiner is. Hierdoor wordt bloed eerder
opgenomen en vrouwen eerder dronken zijn.